Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/4.3
4.3 Eenzijdig handelen met beoogd rechtsgevolg
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375582:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Norton 1906, p. 3; Law Commission, ‘The Execution of Deeds and Documents by or on behalf of Bodies Corporate’, LawCom No 253 CM 4026, 1998, par 2.4.
Zie over de historische werking van deeds uitgebreid nr. 193 en verder.
Geys v Société Générale London Branch [2013] IRLR 122.
Zie over schenking nr. 202, over cessie nr. 204 en over testament nr. 205.
Hyland 2009, p. 575; Bridge 2009, p. 93; Thompson v Leach (1690) 86 ER 391; Standingv Bowring (1885) 31 Ch D 282.
Hyland 2009, p. 484 en 493; Halsbury’s Laws, vol. 52, 2009 par. 249.
Zie Standing v Bowring (1885) 31 Ch D 282; Xenos v Wickham (1866) LR 2 HL 296; Siggers v Evans (1855) 119 ER 519; Thompson v Leach (1690) 86 ER 391.
Smith v Hughes (1871) LR 6 QB 597; The Hannah Blumenthal [1983] 1 AC 854; Lewison 2011, par. 2.03; Treitel 2011, par. 1-002.
Cartwright 2012, par. 13-07.
L’estrange v Graucob [1934] 2 KB 394; McMeel 2011, par. 3-05; Cartwright 2012, par. 13-05 en 13-34.
Zie Investors Compensation Scheme Ltd v West Bromwich Building Society [1998] 1 WLR 896 voor nadere invulling van de objectieve uitleg-norm.
Centrovincial Estates PLC v Merchant Investors Assurance Co Ltd [1983] CLR 158; Freeman v Cooke (1848) 154 ER 642; Smith v Hughes (1871) LR 6 QB 597.
Mannai Investments Co Ltd v Eagle Star Life Insurance Co Ltd [1997] AC 749; McMeel 2011, par. 1.27; Lewison 2011, par. 2.04; Peyman v Lanjani [1985] Ch 457.
Perrin v Morgan [1943] AC 399; Kerridge 2000, p. 41; Broom 1937, p. 13.
Barlow 2008, par. 1.1; Perrin v Morgan [1943] AC 399.
Parker v Tootal (1865) 11 ER 1286; Re Harrison (1885) 30 Ch D 390; Barlow 2008, par. 50.2 en 51.7; Administration of Justice Act 1982, art. 21 lid 1 en 2.
Pitt v Holt [2013] UKSC 26, 114.
186. De vorige paragraaf handelde over systematische (de opbouw van het Engels recht) en dogmatische (doctrine of consideration) obstakels in het Engelse recht voor erkenning van de (verbintenisscheppende) eenzijdige rechtshandeling. Het Engelse recht kent echter wel functionele equivalenten van de rechtsfiguren die naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als eenzijdige rechtshandelingen. In deze paragraaf geef ik de door mij gevonden voorbeelden beknopt weer. Een uitgebreidere analyse van deze voorbeelden volgt in par. 4.4.
De voorbeelden kunnen in drie categorieën worden verdeeld, naar gelang hun rechtsgevolg: 1. eenzijdig verbintenisscheppend handelen; 2. eenzijdig handelen waarmee een bestaande rechtsverhouding wordt gewijzigd of beëindigd; en 3. instrumenten waarmee eenzijdig, dus zonder instemming of consideration goederenrechtelijke rechten kunnen worden overgedragen. Enkele figuren komen in meerdere categorieën voor.
Eenzijdig verbintenisscheppend handelen
Eenzijdig handelen tot wijziging of tenietgaan van een rechtsverhouding
Eenzijdige goederenrechtelijke transacties
Deed poll
Termination (ontbinding)
Deed poll
Trust
Rescission (vernietiging)
Trust
Termination (ontbinding)
Affirmation (bevestiging)
Gift (schenking )
Rescission (vernietiging)
Variation (wijziging)
Assignment (cessie)
Consent (toestemming)
Will (testament)
187. Er bestaan dus enkele uitzonderingen op het uitgangspunt dat eenzijdig handelen geen verbintenissen kan doen ontstaan. De vier genoemde voorbeelden kennen alle een eigen rechtvaardiging. De deed poll is de belangrijkste uitzondering op het vereiste van consideration. Een deed is een formeel document waarin een recht of een goed wordt overgedragen of bevestigd, of waarin een verbintenis wordt gecreëerd of bevestigd.1 Een deed kan eenzijdig (deed poll) of meerzijdig (deed indenture) zijn. Deed polls doen het rechtsgevolg intreden zonder dat aanvaarding of consideration van een ander is vereist. Deze exceptie op het consideration-vereiste is historisch bepaald en vormt tegenwoordig een welkome verlichting van het consideration-vereiste. De dogmatische rechtvaardiging berust op de aanname dat het gebrek aan consideration wordt gecompenseerd door de in acht genomen vorm.2
De trust is een instrument waarmee goederen kunnen worden ondergebracht in een afgescheiden vermogen. Een trustee beheert de vermogensbestanddelen ten gunste van een beneficiary. Door het instellen van de trust of de benoeming als trustee ontstaan verbintenissen, zogenaamde fiduciaryduties.
Ten slotte kunnen als gevolg van ontbinding en vernietiging, net als in het Nederlandse recht, ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan.
188. De tweede categorie van eenzijdig handelen met beoogd rechtsgevolg bestaat uit wilsverklaringen waarmee wilsrechten (zoals ze naar Nederlands recht worden genoemd) worden uitgeoefend. Met een eenzijdige verklaring wordt een bestaande rechtsverhouding gewijzigd, nader vormgegeven of beëindigd. De eenzijdige verklaring vormt vaak een reactie op eerder handelen door de wederpartij. Ontbinding en bevestiging zijn reacties op een contractschending van de andere partij. Dit volgt ook uit de formulering van rechters die spreken over termination als ‘acceptance of repudiation’.3Rescission volgt misrepresentation. Het rechtsgevolg is in die gevallen geen verrassing voor de wederpartij. De wederpartij was betrokken bij het ontstaan van de situatie waarin uiteindelijk de rechtsposities van partijen eenzijdig konden worden gewijzigd. De eenzijdige verklaring is de laatste stap in de keten van gebeurtenissen.
189. In het oog springt de categorie van voluntary and gratuitous dispositionsof property. Goederenrechtelijke rechten kunnen worden overgedragen zonder instemming van de verkrijger en zonder dat hij een tegenprestatie verricht. Deze schenkingen in materiële zin kunnen op een aantal manieren worden geconstrueerd. In de eerder genoemde deed en trust, via een schenking van hand tot hand, door cessie en in een testament.4 Aan deze eenzijdige vermogensverschuivingen ligt, anders dan naar Nederlands recht, bij gebrek aan consideration geen overeenkomst ten grondslag. Schenking wordt gezien als een goederenrechtelijke transactie.5 Voor het overgaan van rechten is vereist dat de schenker de bedoeling heeft zijn goederenrechtelijk recht over te dragen aan de ontvanger, en de aanwezigheid van een zeker corporeel element, zoals een deed of een levering van hand tot hand. Aanvaarding door de ontvanger is niet vereist voor het voltooien van de schenking.6 Eenzijdige overdracht van rechten is dus mogelijk.
De verschillende typen voluntary property dispositions zijn zelfstandige rechtsfiguren, maar zij overlappen elkaar. Een schenking kan worden uitgevoerd in een deed of een trust, een trust kan worden gecreëerd in een testament en met een deed kunnen goederen worden overgedragen, waarmee een trust wordt gecreëerd. In zaken aangaande giften refereren de rechtbanken zowel aan rechtspraak waarin de schenking wordt uitgevoerd in een deed als rechtspraak waarin de schenking niet in een deed wordt gedaan.7 Rechters lijken deze figuren niet te benaderen als afzonderlijke concepten,maar als verschijningsvormen van de overkoepelende figuur van voluntary property transactions. Ondanks specifieke kenmerken van de verschillende figuren zijn de functie en het effect hetzelfde, namelijk de overdracht van goederenrechtelijke rechten.
Gezien de terughoudende benadering van de gratuitous promise als bron van verbintenissen, is de mogelijkheid van het overgaan van goederenrechtelijke rechten door eenzijdig handelen opmerkelijk. De redeneringen die hieraan mijns inziens ten grondslag liggen, bespreek ik in par. 4.5.
190. Er bestaan dus in het Engelse recht gevallen van eenzijdig handelen met beoogd rechtsgevolg. De vraag die vervolgens rijst, is of en hoe die verschillende voorbeelden met elkaar in verband kunnen worden gebracht. Om tot een antwoord op die vraag te komen, heb ik in kaart gebracht of de verschillende voorbeelden vergelijkbaar worden behandeld. In bijlage 2 is schematisch weergegeven welke regels gelden voor de verschillende figuren. Er bestaan echter veel lacunes. Met name voor de eenzijdige wilsverklaringen waarmee wilsrechten worden uitgeoefend, is veel onbekend. De volgende algemene observaties kunnen worden gemaakt.
Om eenzijdig rechtsgevolg te scheppen moet de intentie daartoe aanwezig zijn. Ditzelfde vereiste geldt voor het sluiten van een contract, maar de standaard die rechters hanteren is strenger voor eenzijdige handelingen. Bij die laatste moet de intentie vaak ‘ondubbelzinnig’ (unequivocal) of althans ‘duidelijk’ (clear) zijn.
Eenzijdige handelingen met verbintenisrechtelijk rechtsgevolg zijn doorgaans vormvrij. Eenzijdige goederenrechtelijke transacties moeten voldoen aan vormvereisten. Uitzondering hierop is het creëren van een trust voor roerende zaken, wat vormvrij kan.
Voor alle privaatrechtelijke documenten gelden dezelfde regels voor uitleg. Objectieve uitleg is het uitgangspunt. De gecommuniceerde intentie is doorslaggevend, niet de werkelijk aanwezige, subjectieve intentie.8 Het gaat om de betekenis die een redelijke derde aan het document mag toekennen. Twee gradaties van objectiviteit worden onderscheiden.9 Voor de uitleg van schriftelijke documenten, zoals commerciële contracten, hanteren rechtbanken zogenaamde detachedobjectivity.10 De maatman is hier de redelijke buitenstaander die de beschikking heeft over alle relevante achtergrondinformatie.11 Voor de uitleg van (ongeschreven) partijverklaringen is het perspectief van de geadresseerde van belang: hoe zou een redelijke derde in de positie van de geadresseerde de gebruikte bewoordingen opgevat hebben?12
Deze uitlegnormen gelden zowel voor contracten als voor eenzijdige verklaringen.13 Een uitzondering is het testament. Meer nadruk wordt geplaatst op de daadwerkelijke intentie van de legator. Dit hangt samen met de speciale aard van het testament als een instrument dat beoogt uitvoering te geven aan de laatste wens van de overledene.14 Ook voor testamenten is de verklaarde en niet de subjectieve intentie van de erflater leidend.15 De rechter gebruikt echter een aantal specifieke uitlegregels, gaat uit van bepaalde presumpties en mag in bepaalde gevallen gebruik maken van buiten het testament liggende verklaringen.16
Eenzijdige handelingen zijn doorgaans onherroepelijk. Dit geldt voor eenzijdige goederenrechtelijke transacties, kennisgevingen en voor verklaringen waarmee een partij kiest tussen hem ter beschikking staande remedies na contractschending door de wederpartij. In al deze gevallen is het doel van de onherroepelijkheid het bevorderen van zekerheid en vertrouwen in het commerciële verkeer. Toestemming voor het betreden van land is herroepelijk, tenzij met het verlenen van toestemming ook een goederenrechtelijk recht wordttoegekend.
Als een eenzijdige goederenrechtelijke transactie wordt uitgevoerd onder invloed van dwaling kan een actie wegens ongerechtvaardigde verrijking worden ingesteld. Daarnaast biedt de equitabledoctrine of rescission de mogelijkheid tot het opzijzetten van dergelijke transacties. De regels voor eenzijdige goederenrechtelijke transacties wijken af van de regels voor contract. In de zaak Pitt v Holt bepaalde de Supreme Court dat “commercial bargains deserve a higher degree of protection than voluntary property dispositions”.17 Dat betekent niet dat het opzijzetten van een eenzijdige goederenrechtelijke transactie makkelijk wordt toegekend. De dwaling moet zo fundamenteel zijn dat de ontvangende partij in redelijkheid het goed niet mag behouden. Aan dit vereiste is voldaan als de dwaling ziet op ofwel de aard of het juridische karakter van de transactie ofwel op een feitelijke of juridische aangelegenheid die essentieel is voor de transactie (“a mistake as to either the legal character or nature of the transaction or as to some matter of fact or law, which is basic to the transaction”). Voor testamenten waarvan vaststaat dat ze onder invloed van dwaling zijn gemaakt, geldt dat een rechtbank die niet ten uitvoer zal leggen.
De regels voor eenzijdige handelingen met verbintenisrechtelijk rechtsgevolg zijn veelal niet duidelijk. Wel is duidelijk dat dwaling de geldigheid van bevestigings- en ontbindingsverklaringen niet aantast.
191. Uit het voorgaande blijkt een onderscheid tussen eenzijdig handelen met verbintenisrechtelijk gevolg enerzijds en de figuren waarmee eenzijdig een goederenrechtelijke verschuiving tot stand kan worden gebracht anderzijds. In het algemeen zijn dezelfde regels van toepassing op alle eenzijdige goederenrechtelijke transacties, inclusief deeds en trusts. De regels voor verbintenisrechtelijk eenzijdig handelen zijn meer diffuus. Die regels lijken meer versnipperd tot stand te zijn gekomen.
Deze verdeling resoneert in het Nederlands- en Duitsrechtelijke onderscheid tussen gerichte eenzijdige rechtshandelingen waarmee in veel gevallen een wilsrecht wordt uitgeoefend en de overige, doorgaans ongerichte eenzijdige rechtshandelingen.