Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.1.1.2
III.5.1.1.2 Menselijke waardigheid als normatief uitgangspunt
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451975:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 452.
P. Tiedemann, Menschenwürde als Rechtsbegriff, Berlijn: Berliner Wissenschaft Verlag 2012, p. 169-170 en C.W.J.M. Alting von Geusau, Human Dignity and the Law in post-WarEurope (diss. Wenen), Wenen: Universität Wien 2013, p. 135.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 446.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegungzur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 446. Naar het Engels wordt het vertaald met ‘alien causes’, zie vertaling A.W. Wood, 2002, p. 63. Naar het Nederlands wordt het vertaald met ‘bepaling door vreemde oorzaken’, zie vertaling T. Mertens, 2008, p. 127.
O. O’Neill, ‘Autonomy, Cohorence, and Independece (1992)’, in: I. Carter, M.H. Kramer & H. Steiner (eds.), Freedom: A philosophical anthology, Oxford: Blackwell Publishing 2007, p. 340.
‘Nur ein vernünftiges Wesen hat das Vermögen, nach der Vorstellung der Gesetze, d.i. nach Principien, zu handeln, oder einen Willen.‘ I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe)Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 412.
R.P. Wolff, The Autonomy of Reason: A Commentary on Kant’s Groundwork of the Metaphysic of Morals, New York: NY: Harper & Row 1973, p. 115 en D. Burnham & H. Young, Kant’s Critique of Pure Reason, Edinburgh: Edinburgh University Press 2007, p. 193-194.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegungzur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 429.
Overigens acht Kant de doodstraf in overeenstemming met de categorische imperatief: ‘So viel also der Mörder sind, die den Mord verübt, oder auch befohlen, oder dazu mitgewirkt haben, so viele müssen auch den Tod leiden; so will es die Gerechtigkeit als Idee der richterlichenGewalt nach allgemeinen, a priori begründeten Gesetzen.‘ I. Kant, Gesammelte Schriften(Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 6: Die Metaphysik der Sitten: Metaphysische AnfangsgründeDer Rechtslehre (1797), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 334.
R. Johnson, ‘Kant's Moral Philosophy’, in: E.N. Zalta (ed.), The Stanford Encyclopedia ofPhilosophy (Winter 2013 Edition), http://plato.stanford.edu/entries/kant-moral/.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 11-12.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 12.
Vgl. M.C. Nussbaum, Creating Capabilities: The Human Development Approach, Cambridge, MA: The Belknap Press of Harvard University Press 2011, p. 31.
Zie ook T. Rensmann, Wertordnung und Verfassung, Thübingen: Mohr Siebeck 2007, p. 18.
F. van Dun, ‘Human Dignity: Reason or Desire?’, Journal of Libertarian Studies 2001, 4, p. 14.
Deze rechten en beginselen worden hier enkel als voorbeeld gebruikt. Sommige hiervan worden in de volgende hoofdstukken uitgebreid uitgewerkt.
D. Luban, Legal Ethics and Human Dignity, Cambridge: Cambridge University Press 2007, p. 68-70.
Hof Amsterdam 17 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4606.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Prolegomena (1783), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 288, 329.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 3, 4: Kritik derreinen Vernunft, Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 75. Zie ook I. Kant, Gesammelte Schriften(Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 452.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Prolegomena (1784), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 288.
‘Nur ein vernünftiges Wesen hat das Vermögen, nach der Vorstellung der Gesetze, d.i. nach Principien, zu handeln, oder einen Willen.‘ I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe)Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 412.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 453.
R.P. Wolff, The Autonomy of Reason: A Commentary on Kant’s Groundwork of the Metaphysic of Morals, New York, NY: Harper & Row 1973, p. 115 en D. Burnham & H. Young, Kant’s Critique of Pure Reason, Edinburgh: Edinburgh University Press 2007, p. 193-194.
Delen van het verhoor zijn te zien in de aflevering Interrogation or Child Abuse van National Geographic van 5 maart 2008. Het eerste deel is hier te zien: http://www.youtube. com/watch?v=WkLHXKHb1Vc, laatst geraadpleegd op 16 februari 2017.
Het normatieve uitgangspunt is dat elke persoon waardigheid bezit en dat de waardigheid van iedereen moet worden geëerbiedigd, onafhankelijk van hoe die persoon met zijn waardigheid omgaat. De menselijke waardigheid schrijft voor hoe een actor anderen in overeenstemming met hun menselijke waardigheid moet behandelen. Hierboven is dit dignity-as-respectfulness genoemd. Hierbij is het belangrijk vast te stellen waarom mensen waardigheid bezitten en op welke wijze die wordt gerespecteerd. Mensen bezitten volgens Kant waardigheid omdat zij over een vermogen beschikken waarmee de mens zich onderscheidt van andere dingen en wezens: de rede.1 Met de rede zijn concepten als autonomie en vrije wilsbepaling onlosmakelijk verbonden. De mens onderscheidt zich met dit denkvermogen van andere dingen omdat de mens gedrag mede baseert op basis van de rede.2
‘Der Wille ist eine Art von Causalität lebender Wesen, sofern sie vernünftig sind, und Freiheit würde diejenige Eigenschaft dieser Causalität sein, da sie unabhängig von fremden sie bestimmenden Ursachen wirkend sein kann: so wie Naturnotwendigkeit die Eigenschaft der Causalität aller vernunftlosen Wesen, durch den Einfluß fremder Ursachen zur Tätigkeit bestimmt zu werden.’3
Het is het vermogen van rationaliteit dat maakt dat de wil van de mens moet worden gerespecteerd.
Zojuist is vermeld dat de rede onlosmakelijk verbonden is met ‘autonomie’ en ‘de wil’. Ik bekijk deze begrippen kort omdat ze van belang zijn voor de mens (en dus ook voor de verdachte). Een persoon is volgens Kant autonoom als zijn handelen wordt gebaseerd op een zelf opgelegde wet (autos (zelf) nomos (wet)), in tegenstelling tot een persoon die zijn handelen baseert op ‘bestimmenden Ursachen’ (heteros (andere) nomos (wet).4 Een mens met waardigheid behandelen, betekent in deze zin dat hem ruimte wordt geboden opdat hij op basis van een zelf opgelegde wet kan handelen. Autonomie in deze zin is een onafhankelijkheidsconcept5 en ziet derhalve op de vraag wie het gedrag bepaalt; het individu zelf of een ander. Autonomie als onafhankelijkheidsconcept bepaalt echter niet op welke gronden iemand zijn gedrag gebaseerd, maar alleen wie het gedrag kiest. Alleen rationele wezens hebben de inherente capaciteit om in overeenstemming met hun voorstelling van wetten (of principes) te handelen. Het handelen in overeenstemming met wetten wordt door Kant de wil genoemd.6 De wil is de capaciteit om te handelen, om gedrag te baseren op redenen.7 De mens heeft redenen om op een bepaalde manier te handelen (zodat het gedrag overeenkomt met zijn voorstelling van een principe). Omdat de mens deze inherente capaciteit bezit, moet hem de mogelijkheid worden geboden deze te gebruiken. Die capaciteit moet worden gerespecteerd in plaats van worden genegeerd. Een van de formuleringen van de categorische imperatief past goed bij de menselijke waardigheid als normatief argument: ‘Handle so, daß du die Menschheit sowohl in deinerPerson, als in der Person eines jeden andern jederzeit zugleich als Zweck, niemalsbloß als Mittel brauchst.’8 Deze imperatief stelt een norm voor het humaan,9 fatsoenlijk behandelen van anderen (the Formula of Humanity).10
Deze norm geldt natuurlijk ook jegens de verdachte. Ondanks dat hij zelf mogelijk in strijd met de categorische imperatief heeft gehandeld, betekent dat nog niet dat hij daarmee zijn menselijke capaciteit kwijt raakt of het recht op respect daardoor verspeelt. Hij heeft nog steeds een wil en is nog steeds een mens. Hij kan op basis van hem moverende redenen zijn gedrag bepalen, bijvoorbeeld door een beroep op het zwijgrecht te doen of volledig mee te werken aan het opsporingsonderzoek door openheid van zaken te geven. Omdat hij de capaciteit bezit om redenen aan zijn gedrag ten grondslag te leggen, moeten anderen hem die mogelijkheid bieden. Ook de verdachte is een doel-in-zichzelf en niet enkel een middel. En juist omdat de mens autonoom en op grond van redenen kan handelen, komt hem dus waarde toe.
De imperatief dat een ander nooit enkel als middel mag worden gebruikt, kan ook worden toegepast op de positie van de verdachte in de strafvordering. In het strafprocesrecht worden regelmatig grondrechten van de verdachte beperkt en daarbij kan de vraag rijzen of het gedrag van de opsporende autoriteiten door de beugel kan. Corstens & Borgers leggen bij de behandeling van de verdachte de nadruk op het fatsoen van het optreden van de strafrechtsfunctionarissen.11 Opsporingsmethoden en dwangmiddelen worden ingezet tegen personen tegen wie een verdenking is gerezen. Dit brengt het risico met zich dat tegen onschuldige burgers middelen worden ingezet die hun grondrechten beperken of aantasten. Dat is noodzakelijk om de waarheid te vinden, in dit geval om een persoon als dader uit te sluiten. Maar dat betekent wel dat de verdachte bepaalde mogelijkheden moeten worden geboden opdat hij niet enkel als middel wordt gebruikt. Als de verdachte enkel als een middel wordt gebruikt, en bijvoorbeeld wordt gefolterd om een bekentenis af te dwingen, dan wordt zijn inherente menselijke capaciteit genegeerd. Hierbij wordt zijn lichaam enkel als middel gebruikt om zijn mentale weerbaarheid, zijn rationaliteit te breken. Zijn vermogen om onafhankelijk van vreemde invloeden beslissingen te nemen, wordt met kracht geschonden. Dit betekent dat de verdachte op dat moment volledig geen gebruik kan maken van zijn vermogens die inherent zijn aan het mens-zijn en boven elke prijs zijn verheven.
Hij is dan geen mens die zelfstandige, onafhankelijke keuzes kan maken op basis van zijn perceptie en voorkeuren. Met andere woorden, zijn wil – waarmee ik de onafhankelijkheid van de keuze bedoel – wordt volledig (en bij marteling met geweld) uitgeschakeld. Het is veel meer deze psychologische dwang dan het fysieke geweld die marteling vanuit het concept van waardigheid-als-respect ontoelaatbaar maakt. De mogelijkheden die de verdachte in het proces mijns inziens toekomen op grond van de menselijke waardigheid als normatief argument, zijn procesrechten waarmee hij invloed kan uitoefenen op de vergaring van bewijsmateriaal en de afweging van de rechter.
‘Zich verplaatsend in die laatste positie (van de onschuldige verdachte, DvT) wordt de strafrechtfunctionaris geconfronteerd met de vraag of de verdachte een eerlijkeen volledige kans heeft gekregen zijn ‘verhaal’ naar voren te brengen’.12
De verdachte – omdat hij inherente menselijke capaciteiten bezit13 – de mogelijkheid bieden zijn verhaal te doen, is volgens Corstens & Borgers een onderdeel van een fatsoenlijke strafrechtspleging. Zijn rationaliteit mag niet volledig worden ‘uitgeschakeld’, waarmee ik bedoel dat hij wordt gedwongen bewijs te produceren dat niet op een andere wijze is geopenbaard. Dus de verdachte neemt (met een aan voorwaardelijk opzet gelijke redenering) willens en wetens op de koop toe dat de autoriteiten informatie bemachtigen die hij vrijwillig per e-mail of telecommunicatie met anderen deelt. Ook is het zonder beperking van zijn rationaliteit (maar wel met inbreuk op de fysieke integriteit) mogelijk dat lichaamsmateriaal van hem wordt verkregen. Bij foltering is dit anders omdat met de dwang de mentale weerbaarheid wordt vernietigd en een rationele, onafhankelijke keuze volledig onmogelijk maakt.
Volgens de hier gehanteerde uitwerking van de menselijke waardigheid mogen verdachten nooit enkel als middel worden gebruikt, maar moeten ze ook altijd als doel worden gerespecteerd. De opsporende autoriteiten behandelen een verdachte menswaardig als hij niet alleen als middel wordt gebruikt, omdat elke persoon waardigheid bezit vanwege zijn vermogen om zijn gedrag te bepalen op grond van de rede.14 Personen kunnen van dit vermogen gebruik maken als zij de mogelijkheid krijgen onafhankelijk – dus zonder directe ‘bepaling door vreemde oorzaken’ – en op basis van redenen hun gedrag te bepalen. Van Dun verwoordt het als volgt:
‘a human being is not just a physical agent but a “moral agent” capable of acting on the basis of reasons and of criticizing and evaluating reasons for acting in the light of various goals and values’.15
Verschillende opties kunnen worden gekozen om de verdachte een doel-inzichzelf te laten zijn. Gedacht kan worden aan rechten die het hem mogelijk maken om standpunten in de procedure in te nemen. Belangrijk daarbij is dat de verdachte autonoom bepaalt of en welk standpunt wordt ingenomen. Hij is dan namelijk niet enkel object van onderzoek, bron van informatie. Door standpunten in te nemen, bewijs te betwisten en tegenbewijs aan te dragen, oefent hij in potentie invloed uit op de rechterlijke beslissing. Onder andere het zwijgrecht, de cautieplicht, het pressieverbod, het nemo-teneturbeginsel, het recht op rechtsbijstand, het beginsel van gelijkheid van wapenen en het recht op tegenonderzoek16 kunnen mede ervoor zorgen dat de verdachte niet enkel als middel wordt gebruikt. Mede door gebruik te maken van deze rechten en beginselen kan de verdachte autonoom zijn positie bepalen tijdens het strafrechtelijk geding. Hij kan daardoor namelijk ‘zijn verhaal’ naar voren brengen. Zoals hierboven al vermeld, stellen Corstens & Borgers dat als een belangrijk onderdeel van een fatsoenlijk strafprocesrecht. Dit biedt de onschuldige verdachte namelijk de kans zichzelf te beschermen tegen of vrijwaren van (verdere) vervolging.
Bij het vertellen van ‘zijn verhaal’ dient voornamelijk aandacht te worden besteed aan de thema’s ‘identiteit’ en ‘verhaal’.
‘A procedural system that simply gagged a litigant and refused even to consider her version of the case would be in effect treating her story as if it didn’t exist, her point of view as if it were literally beneath contempt. […] So, in this context, having human dignity means, roughly, having a story of one’s own.’17
Kort gezegd is een (verdachte) persoon (1) onderwerp van een verhaal; (2) daarmee ook subject van persoonlijke waarneming en ervaring en; (3) subject van zijn eigen verhaal. In het vervolg van deze paragraaf worden deze punten verder uitgewerkt en in een strafvorderlijke context geplaatst door the Formula of Humanity (dat een mens een doel-in-zichzelf is en niet enkel als middel mag worden misbruikt) toe te passen op de positie van de verdachte. Hiermee wordt beoogd om de formule te operationaliseren. Op welke wijze moet de verdachte, die vanwege zijn inherente menselijke capaciteit waardigheid toekomt, worden behandeld zodat hij als doel-in-zichzelf en niet enkel als middel in het strafprocesrecht wordt gebruikt?
Daarbij merk ik als eerste op dat het schier onmogelijk is de verdachte op elk moment in het proces als doel-in-zichzelf te behandelen. De verdachte is de belangrijkste bron van informatie en is daardoor ook een middel tot waarheidsvinding. Als hij de dader is, bezit hij informatie over het strafbare feit die noodzakelijk kunnen zijn voor de waarheidsvinding. Als hij onschuldig is, bezit hij informatie die als ontlastend bewijs kan worden gebruikt. Om informatie te verkrijgen, bijvoorbeeld lichaamsmateriaal voor een DNA-analyse, is het onontbeerlijk de verdachte tijdelijk als middel te gebruiken. Maar het proces in zijn geheel overziend moet de verdachte niet enkel als middel, maar tevens ook als doel worden gezien. Het gaat er daarbij om dat zijn rationaliteit niet volledig wordt uitgeschakeld.
Voor een strafrechtelijke procedure betekent dit mijns inziens dat de verdachte rechten moeten worden toebedeeld die het hem mogelijk maken om (op bepaalde momenten) als autonoom persoon te handelen. Het gaat hierbij dus om het belang van het toekennen van rechten aan de verdachte waardoor hij zich in het proces in overeenkomst met de menselijke waardigheid – als normatief uitgangspunt voor het respect voor personen – kan gedragen. Deze procesrechten komen hem ten eerste toe omdat de verdachte het onderwerp van een verhaal is. In een strafrechtelijke procedure staat (ten minste voor de bewijsbeslissing) de tenlastelegging centraal, waarin een verhaal is opgenomen over een strafbaar feit dat mogelijkerwijs door de verdachte is gepleegd. Het taalkundige onderwerp van het verhaal is de verdachte. Hij is echter niet de auteur van het verhaal. Het is de officier van justitie die het heeft opgesteld over een andere persoon en deze in het verhaal een strafrechtelijk verwijt maakt. Het is mensonwaardig om die persoon in een strafrechtelijke procedure monddood te maken. Het verhaal speelt zich immers af rond zijn persoon en gedrag. Als hij geen invloed kan uitoefenen op de bewijsvergaring en de rechterlijke beslissing is hij enkel lijdend voorwerp en derhalve een middel. Tegen en via hem wordt bewijs verzameld, over hem en zijn gedrag wordt gesproken en beslist terwijl hij geen enkele invloed op de uitkomst kan uitoefenen. Dit terwijl hij ook een mens is en daardoor in staat is om autonoom en op basis van zijn wil te handelen. Daarom moet hem de mogelijkheid worden geboden invloed uit te oefenen tijdens het proces door gebruik te maken van zijn unieke menselijke vermogen.
Ten tweede is een persoon niet alleen het onderwerp van het verhaal, hij heeft een persoonlijk verhaal dat is gebaseerd op zijn waarneming en ervaring van het gebeurde. Elk verhaal heeft meerdere zijden. Een strafbaar feit kan door het slachtoffer en de dader op heel verschillende manieren worden naverteld. Zelfs kunnen beide verhalen afwijken van wat op camerabeelden is waar te nemen. Een strafrechtelijk voorbeeld. Bij misdrijven die zich vaak in de beslotenheid afspelen – zoals een verkrachting – kan een procedure uitlopen op een ‘welles-nietes-verhaal’. Zo ook in dit voorbeeld.18 Aangeefster is een toeriste uit Groot-Brittannië. ’s Avonds, nadat zij in Amsterdam aan een kroegentocht heeft deelgenomen, krijgt zij ruzie met haar vriend. Nadat haar vriend de bar had verlaten, is zij meegegaan met de eerste verdachte. Met hem heeft zij later in zijn woning seks. Aangeefster verklaart uiteindelijk dat de seksuele handelingen niet op vrijwillige basis hebben plaatsgevonden, terwijl de verdachte verklaart dat een en ander wel vrijwillig plaatsvond. Uit verklaringen van getuigen leidt het hof af dat slachtoffer onder valse voorwendselen met verdachte mee naar zijn woning is gegaan en dat zij een ongemakkelijke indruk maakte in de woning van de verdachte (waar nog enkele mannen aanwezig waren). Maar de valse voorwendselen en een onprettig gevoel bij het slachtoffer zijn onvoldoende voor het aannemen van dwang tot het ondergaan van seksuele handelingen. Daar komt bij dat het hof uit camerabeelden van de bar afleidt dat het slachtoffer vrijwillig met de verdachte mee naar buiten is gegaan. Ervan uitgaande dat het slachtoffer niet bewust onwaar heeft verklaard, is de perceptie van het gebeurde door het slachtoffer in deze casus geheel anders dan die van verdachte. Een ander voorbeeld. De ontwikkeling van een foetus en de geboorte van het kind kunnen vanuit een biologisch oogpunt droog, zakelijk en feitelijk worden verteld. In een bepaalde setting – bijvoorbeeld als onderdeel van een cursus biologie – is deze stof noodzakelijk. Het is echter niet het verhaal dat de ouders van het kind vertellen als zij praten over de geboorte van hun kind. Dat gaat over het gevoel dat de ouders hadden toen hun nakomeling op de wereld werd gezet, eventueel in combinatie met de pijn die daarmee gepaard ging, en over plannen en een toekomstvisie voor (de opvoeding van) het kind.
Omdat een verhaal gebaseerd is op persoonlijke waarnemingen en ervaringen, hoort de verdachte de mogelijkheid te worden geboden deze naar voren te brengen. Hiervoor is het verschil tussen de zintuigen, het verstand en de rede van belang.19 De zintuiglijke wereld is de wereld van de zintuigelijke waarneming, terwijl de verstandelijke wereld het domein van het verstand en de rede is. Volgens Kant zijn ‘Gedanken ohne Inhalt leer, Anschauungen ohne Begriffe blind.’20 Zintuigen zijn passief, zij worden geprikkeld door de externe wereld. Het verstand kan zintuigelijke voorstellingen onder regels brengen, het reflecteert over wat wordt waargenomen (bijvoorbeeld over oorzaak en gevolg).21 Terwijl de rede het vermogen is om handelingen te verrichten in overeenstemming met de categorisch imperatief, dus op basis van de wil.22 Het betreft de ‘causaliteit’ van handelen,23 de redenen die ten grondslag liggen aan het handelen.24 De verdachte is niet als waarnemer verbonden aan het strafproces en ook niet als mens die enkel reflecteert over wat wordt waargenomen. Hij heeft een eigen belang bij het proces. Hij moet, als mens op basis van zijn wil, invloed kunnen uitoefenen op het resultaat tijdens het proces. Hij heeft een persoonlijk verhaal te vertellen. Op verschillende manieren is zijn persoonlijke verhaal van belang voor de strafrechtprocedure. Ten eerste omdat bij veel delicten een subjectief bestanddeel in de delictsomschrijving is opgenomen. Ten tweede, en voor het onderhavige belangrijker, omdat het subjectieve verhaal van de verdachte een belangrijke bron van informatie is. Het persoonlijke verhaal wordt gebruikt om de gradatie van het subjectieve bestanddeel te bepalen. De geestesgesteldheid van de verdachte op een tijdstip in het verleden is moeilijk te bewijzen en daarbij kan de verklaring van de verdachte een belangrijke rol spelen. Zijn verklaring kan aanleiding geven om te spreken van roekeloosheid in plaats van grove onvoorzichtigheid of van boos opzet in plaats van voorwaardelijk opzet. Verder spelen (afwezigheid van) spijt en berouw regelmatig een rol bij de straftoemeting. Daarnaast is het vertellen van het persoonlijke verhaal door de verdachte misschien de enige productie van ontlastend bewijs. De verdachte moet daarom de mogelijkheid krijgen zijn persoonlijke verhaal te vertellen. Dit biedt namelijk belangrijke aanknopingspunten voor de rechterlijke beslissing.
Ten derde is het verhaal van een persoon zijn verhaal. De tweede en derde uitwerkingen lijken op het eerste gezicht misschien gelijk. Het persoonlijke verhaal gaat over de persoonlijke zijde van een verhaal. Het nu centraal staande criterium ‘het eigen verhaal’ gaat over welke persoon het verhaal vertelt. Kan de verdachte zelf zijn verhaal vertellen of wordt hij gedwongen te praten? In dit deel speelt de aard en mate van dwang een belangrijke rol. Bepaalde aard en mate van dwang kunnen namelijk ervoor zorgen dat het verhaal dat een persoon vertelt niet zijn verhaal is, maar een verhaal dat hem wordt opgedrongen te openbaren. Handelingen die de verdachte als instrument gebruiken – zoals misleiding of fysiek of psychisch geweld – kunnen ertoe leiden dat de verdachte niet zijn verhaal vertelt. Het menswaardig behandelen van de verdachte houdt in dat hij, als (1) onderwerp van het verhaal, (2) zijn (3) persoonlijke verhaal kan vertellen. Zo is hij altijd ook een doel-inzichzelf.
Voor het gebruik van strafvorderlijke opsporingsmethoden houdt dit onder meer in dat de verdachte de mogelijkheid dient te krijgen het verkregen bewijs te betwisten of een alternatieve lezing te geven. Verschillende opties zijn denkbaar: zo kan de verdachte worden gehoord voorafgaand of tijdens de inzet van het middel, kan achteraf tegenonderzoek worden gelast of kan de gelegenheid worden gecreëerd om bij de presentatie van het bewijs te spreken. Eén (of meer) van deze mogelijkheden lijkt noodzakelijk om de verdachte ook zijn verhaal te laten vertellen. Het bewijs vormt immers een ankerpunt voor de tenlastelegging. Het ondersteunt het verhaal zoals dat door de officier van justitie is opgesteld. De tenlastelegging is daarmee vaak maar één kant van het verhaal. Als een dakgoot wordt gebruikt voor de opslag van verboden middelen, dan ligt het voor de hand de bewoner van de woning te vervolgen voor een Opiumwetdelict. Als de verdachte zijn woning enkele weken heeft onderverhuurd omdat hij in het buitenland verbleef, de dakgoot ook via een andere woning bereikbaar is of als ook de huismeester een sleutel van de woning heeft, werpt dat mogelijkerwijs een ander licht op het verwijt. Een voorbeeld waarin (tegen)onderzoek noodzakelijk kan zijn: stel dat een verdachte dood door schuld in het verkeer wordt verweten. Hij heeft op een slecht verlichte weg te hard gereden en voorrangsregels genegeerd waarna hij met zijn auto in de zijkant van een andere auto is gereden. De auto van de verdachte is onderzocht om onder andere de snelheid van het voertuig tijdens de botsing vast te stellen. De verdachte beweert echter dat zijn remmen niet functioneerden en dat daardoor de botsing is veroorzaakt. Onderzoek naar de werking van de remmen is noodzakelijk om het verhaal van de verdediging te kunnen beoordelen. De twee voorbeelden laten het belang zien van het kunnen vertellen van het persoonlijke verhaal.
Maar ook het vertellen van het eigen verhaal is belangrijk. Het verhoor zorgt bij de verdachte waarschijnlijk voor stress en angstgevoelens. Vooral bij bepaalde verdachten – zoals minderjarigen of mentaal zwakkere personen – kan het uitoefenen van druk of het stellen van suggestieve vragen leiden tot gewenste antwoorden. Bekende voorbeelden zijn het verhoor van Michael Crowe25 en de verhoren van Kees B. in de Schiedammer Parkmoord. Het laten vertellen van het eigen verhaal is derhalve belangrijk om manipulatie te voorkomen en daarmee onterechte veroordelingen tegen te gaan. Bij een menswaardige behandeling van de verdachte hoort ten minste plaats te zijn voor het zelf vertellen van het persoonlijke verhaal omtrent de beschuldiging. Dit doet recht aan zijn vermogens – autonomie, de wil – waardoor hij waardigheid bezit.
Dat is echter niet voldoende. Deze uitwerking van de menselijke waardigheid toont aan dat de verdachte niet enkel als middel mag worden gebruikt, maar dat hij altijd de onafhankelijke, rationele keuze moet worden gelaten om zijn verhaal op persoonlijk gekozen wijze naar voren te kunnen brengen. Dit bepaalt niet welke inbreuken zijn gerechtvaardigd. Een verdachte kan, nadat hij is mishandeld tijdens de afname van bloed voor een DNA-analyse, nog steeds de mogelijkheid krijgen zijn verhaal te doen of om een contra-expertise te verzoeken. Op basis van waardigheid-als-respect (-voor-autonomie) is dat – fysiek geweld om al bestaand materiaal te verkrijgen – toelaatbaar. Dus naast het creëren van verdedigingsrechten voor de verdachte op grond van waardigheid-als-respect, is het noodzakelijk dat de menselijke waardigheid grenzen stelt aan het toelaatbare gedrag van strafrechtfunctionarissen. Dat geschiedt in de volgende subparagraaf over de waardigheid-als-eer aan bod komt.