Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.11:7.11 Stelplicht en bewijslast
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.11
7.11 Stelplicht en bewijslast
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598494:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
225. Indien de rechtspraak de door mij geformuleerde hoofdregel zou overnemen, hoe zou die dan werken in het kader van de stelplicht en de bewijslast? Doorgaans zal de wederpartij van de rechtspersoon stellen dat de rechtspersoon het relevante feit kende of behoorde te kennen, omdat een van diens functionarissen het feit kende of behoorde te kennen. Betwist de rechtspersoon dat de kennis van die functionaris aan hem kan worden toegerekend, dan zal de wederpartij de elementen van de hoofdregel moeten stellen en zonodig bewijzen:
kennis van de functionaris;
betrokkenheid van de functionaris bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding;
taak van de functionaris om naar aanleiding van de relevante informatie maatregelen te nemen, al dan niet bestaand uit het doorgeven van de informatie aan een beslissingsbevoegde functionaris.
De onder 3. genoemde taak zal zelden in de taakomschrijving staan die is opgenomen in de arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht tussen functionaris en rechtspersoon. Doorgaans zal deze taak besloten liggen in de taken die de functionaris dagelijks uitvoert. Uit de enkele betrokkenheid van de functionaris en diens functieomschrijving zal de rechter vaak al het nodige afleiden en voorshands aannemelijk achten. Ook kan de rechter oordelen dat een persoon op een bepaalde positie mede tot taak behoort te hebben om relevante informatie te benutten. Zie over de mogelijkheden die de rechter in dit verband heeft in meer detail par. 9.11.
226. Staan de genoemde drie elementen vast, dan is het aan de rechtspersoon om zijn verweer nader te motiveren door aanvullende feiten en omstandigheden te stellen die maken dat toerekening in het onderhavige geval toch niet op zijn plaats is, bijvoorbeeld omdat:
voor de functionaris onvoldoende voorzienbaar was welke relevantie de kennis had;
gezien de strekking van de norm een grotere betrokkenheid of beslissingsbevoegdheid van de functionaris is vereist;
het tijdsverloop tussen kennisneming en het ontstaan van de noodzaak tot handelen te kort was;
enzovoort.
Dergelijke verweren zijn geen bevrijdend verweer: de rechtspersoon haakt hiermee aan bij verfijningen van de hoofdregel zoals omschreven in par. 7.8. Een beroep op een geheimhoudingsplicht of op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid is wel een bevrijdend verweer.