Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.2.1
III.5.2.1 Functies van het juridische concept menselijke waardigheid
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450805:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A. de Baets, ‘A Succesful Utopia: The Doctrine of Human Dignity’, Historein 2007, 7, p. 72, 76. Daarnaast hebben volgens Dupré slechts vijf EU-lidstaten, waaronder Nederland, de bescherming van de menselijke waardigheid niet in hun constitutie gewaarborgd. C. Dupré, ‘Human Dignity in Europe: A Foundational Constitutional Principle’, European Public Law, 2013, 2, p. 320.
D. Shulztiner & G.E. Carmi, ‘Human Dignity in National Constitutions: Functions, Promises and Dangers’, American Journal of Comparative Law 2014, 2, p. 461.
C.W.J.M. Alting von Geusau, Human Dignity and the Law in post-War Europe (diss. Wenen), Wenen: Universität Wien 2013, p. 187. Zie ook J. Habermas, ‘The Concept of Human Dignity and the Realistic Utopia of Human Rights’, Metaphilosophy 2010, 4, p. 465-466 en D. Shulztiner & G.E. Carmi, ‘Human Dignity in National Constitutions: Functions, Promises and Dangers’, American Journal of Comparative Law 2014, 2, p. 461 en C. Dupré, ‘Human Dignity in Europe: A Foundational Constitutional Principle’, European Public Law, 2013, 2, p. 321-325. Habermas noemt het interessant en verrassend dat menselijke waardigheid pas na de Tweede Wereldoorlog in juridische teksten is verschenen terwijl Kant al in de 18e eeuw over het concept schreef. Enigszins verrassend is dat het begrip menselijke waardigheid in de discussie na de Eerste Wereldoorlog (maar voor de Tweede Wereldoorlog) over de tekst van mensenrechtelijke verdragen/verklaringen niet werd gebezigd. C.R. Beitz, ‘Human Dignity in the Theory of Human Rights: Nothing But a Phrase?’, Philosophy & Public Affairs 2013, 3, p. 262-270.
C. Dupré, ‘Human Dignity in Europe: A Foundational Constitutional Principle’, European Public Law, 2013, 2, p. 325.
O. Schachter, ‘Human Dignity as a Normative Concept’, The American Journal of International Law 1983, 4, p. 849 en T. Rensmann, Wertordnung und Verfassung, Thübingen: Mohr Siebeck 2007, p. 316-317. Overigens lijkt een culturele en/of situationele uitleg van het begrip menselijke waardigheid prima facie in strijd met de uitleg dat elke mens evenveel waardigheid bezit. Hoe kan iets immers en cultureel afhankelijk en situationeel bepaald zijn, terwijl het ook iedereen in gelijke mate toekomt?
F. van Dun, ‘Human Dignity: Reason or Desire?’, Journal of Libertarian Studies 2001, 4, p. 14. Zie ook C.W.J.M. Alting von Geusau, Human Dignity and the Law in post-War Europe (diss. Wenen), Wenen: Universität Wien 2013, p. 123
D. Luban, ‘Human Dignity, Humiliation, and Torture’, Kennedy Institute of Ethics Journal 2009, 3, p. 213.
A. de Baets, ‘A Successful Utopia: The Doctrine of Human Dignity’, Historein 2007, 7, p. 73.
Zie ook F. van Dun, ‘Human Dignity: Reason or Desire?’, Journal of Libertarian Studies 2001, 4, p. 14 en A.A.T. van Eijk, Menselijke waardigheid tijdens detentie. Een onderzoek naar de taak van de justitiepastor (diss. Tilburg), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 115.
A.A.T. van Eijk, Menselijke waardigheid tijdens detentie. Een onderzoek naar de taak van de justitiepastor (diss. Tilburg), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 116.
Zie bijvoorbeeld over respectievelijk Polen en Frankrijk: B. Lewaszkiewicz-Petrykowska, ‘The principle of respect for human dignity’, in: The Venice Commission, The principle of respect for human dignity, Strasbourg : Council of Europe Publishing 1999, p. 15 en J. Robert, ‘The principle of human dignity’, in: The Venice Commission, The principle of respect for human dignity, Strasbourg : Council of Europe Publishing 1999, p. 43.
E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 20. Zie ook C. McCrudden, ‘Human Dignity and Judicial Interpretation of Human Rights’, EJIL 2008, 4, p. 698-699 en D.W. Jordaan, ‘Autonomy as an Element of Human Dignity in South African Case Law’, Journal of Philosophy, Science & Law 2009, p. 3, http://jpsl.org/archives/autonomy-element-human-dignity-south-african-case-law/, laatst geraadpleegd op 27 augustus 2015.
E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 20.
EHRM 29 april 2002, NJCM-Bulletin 2002, 7, m.nt. Myjer, r.o. 65 (Pretty vs. het Verenigd Koninkrijk). Zie ook EHRM 10 juni 2010, NJCM-Bulletin 2010, 8, m.nt. Tydeman-Yousef, r.o. 135 (Jehova’s getuigen Moskou vs. Rusland).
Overigens komt de menselijke waardigheid in de Zuid-Afrikaanse constitutie ook terug als principe waarop de republiek is gebaseerd (artikel 1), waarop andere mensenrechten zijn gebaseerd (artikel 7) en als autonoom grondrecht (artikel 10). Zie voor de tekst van de Zuid-Afrikaanse constituitie: http://www.gov.za/documents/constitution-republic-south-africa-1996, laatst geraadpleegd op 6 januari 2017.
E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 22.
E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 22.
A. de Baets, ‘A Successful Utopia: The Doctrine of Human Dignity’, Historein 2007, 7, p. 79. Zie ook C. McCrudden, ‘Human Dignity and Judicial Interpretation of Human Rights’, EJIL 2008, 4, p. 680-681.
Zie ook E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 22.
P. Tiedemann, Menschenwürde als Rechtsbegriff, Berlijn: Berliner Wissenschaft Verlag 2012, p. 77, 111-112. Beitz gebruikt in deze zin de term ‘elastisch’. C.R. Beitz, ‘Human Dignity in the Theory of Human Rights: Nothing But a Phrase?’, Philosophy & Public Affairs 2013, 3, p. 260.
H.D. Jarass, ‘Würde des Menschen, Grundrechtsbindung’, in: H.D. Jarass & B. Pieroth, Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland, München: Verlag C.H. Beck 2002, p. 43.
B. Lewaszkiewicz-Petrykowska, ‘The principle of respect for human dignity’, in: The Venice Commission, The principle of respect for human dignity, Strasbourg: Council of Europe Publishing 1999, p. 17.
Zie ook C.R. Beitz, ‘Human Dignity in the Theory of Human Rights: Nothing But a Phrase?’, Philosophy & Public Affairs 2013, 3, p. 260.
Dat de menselijke waardigheid een belangrijk juridisch concept is, blijkt wel uit de analyse van De Baets. Hij constateert dat in 2007 in ongeveer 75 procent van de constituties van 193 landen het begrip (menselijke of persoonlijke) ‘waardigheid’ voorkomt en dat het in de meeste grondwetten waarin het niet expliciet is genomen een rol speelt bij de uitleg van grondrechten.1 In de vijf volgende jaren is dit percentage gestegen tot 84 procent.2 Alting von Geusau toont aan dat het belang van de menselijke waardigheid voortkomt uit een ‘never again’ mantra naar aanleiding van de wereldwijde verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog.3 Ondanks het veelvuldig gebruik van het begrip in nationale constituties en in internationale verdragen, is niet direct duidelijk wat het begrip betekent en op welke wijze het wordt gebruikt.4 Dit biedt enerzijds de mogelijkheid om de menselijke waardigheid in elke natie en in elke casus afhankelijk van de culturele en situationele omstandigheden te interpreteren.5 Anderzijds kan de menselijke waardigheid, omdat de betekenis van de notie onduidelijk is, een holle leus worden.6 Voor een partij in een juridisch geschil kan het daardoor lastig zijn een beroep te doen op de menselijke waardigheid omdat men niet weet (en misschien zelfs niet kan weten) wat het concept betekent. Het volgende citaat maakt dat helder: ‘”human dignity” means whatever you want it to mean, which is another way of saying that it doesn’t mean very much.’7 Naast het feit dat de betekenis van de notie vaag is, kan het concept verschillende functies vervullen.8 De inhoudelijke vaagheid en verscheidend van functies maken de menselijke waardigheid een concept dat moeilijk te (be)grijpen is. Hieronder wordt eerst aandacht besteed aan de verschillende rollen die de menselijke waardigheid kan spelen. Vervolgens wordt bekeken op welke wijze het begrip binnen de diverse functies wordt gebruikt. Een bespreking van de functies wordt als opmaat voor de analyse van het gebruik van het begrip in de rechtspraak gebruikt. Als de notie meerdere functies kan vervullen, is het belangrijk aandacht aan de betekenis van het concept binnen de functies te besteden. Hieronder volgt de bespreking van de volgende functies: (1) grondslag voor mensenrechten; (2) richtinggevend principe bij de interpretatie van andere grondrechten en; (3) als zelfstandig grondrecht.
De menselijke waardigheid wordt in verschillende internationale verdragen genoemd als grondslag voor alle en/of andere mensenrechten. Zo wijzen zowel de preambule bij het UVRM en het IVBPR expliciet op het belang van de menselijke waardigheid als grondslag: ‘dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld’ en ‘deze rechten [vloeien] voort […] uit de inherente waardigheid van de menselijke persoon’. Volgens deze verdragen vormt onder andere de ‘inherente waardigheid’ van het menselijke bestaan de basis voor mensenrechten. Niet direct duidelijk wordt wat de inherente waardigheid van de mens is en welke mensenrechten verbonden zijn met waardigheid, behalve dat hij een capaciteit is die verbonden is aan het lidmaatschap van de menselijke soort.9 De vraag rijst of het problematisch is dat het concept onduidelijk is als het wordt gebruikt als grondslag voor andere rechten. De menselijke waardigheid wordt dan immers nader uitgewerkt in onderscheidende, specifieke mensenrechten die gezamenlijk de waardigheid van de mens beschermen. De menselijke waardigheid is dan niets anders dan een catalogus van onderscheidende, specifieke mensenrechten die gezamenlijk het concept waardigheid invullen. Een lastig punt daarbij is dat, wanneer economische, sociale, technologische of andere ontwikkelingen zich voordoen, de vaagheid van de notie menselijke waardigheid geen belemmering vormt om allerlei rechten als mensenrechten te bestempelen en onder ‘de paraplu’ menselijke waardigheid te plaatsen. Hierdoor is een explosie van mensenrechten mogelijk (geweest).10 Zo lijken het recht op kosteloos lager onderwijs en toegang tot hoger onderwijs (artikel 26 UVRM) en het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven om te genieten van kunst (artikel 27 UVRM) de basis te vormen voor zelfontplooiing en persoonlijke ontwikkeling, terwijl de verboden van slavernij en foltering (artikelen 4 en 5 UVRM) zelfbeschikkingsrechten zijn. Natuurlijk kunnen zowel zelfontplooiing als zelfbeschikking onderdelen van de menselijke waardigheid zijn, maar doordat de inhoudelijke betekenis van het begrip niet precies bekend is, kunnen allerlei rechten onder de menselijke waardigheid worden gebracht.
Verder kan de menselijke waardigheid ook als richtinggevend principe bij de interpretatie van specifieke grondrechten worden gebruikt.11 Brems en Vrielink stellen dat het voor de hand ligt deze functie te combineren met de vorige functie.12 De menselijke waardigheid vormt dan het fundament voor specifieke mensenrechten en bepaalt mede de inhoud en reikwijdte van mensenrechten. Binnen deze functie zijn drie verschillende varianten mogelijk. Zij wordt als principe met tekstuele basis in de Grondwet (bijvoorbeeld artikel 54 lid 1 Hongaarse Grondwet), zonder tekstuele basis (bijvoorbeeld door het EHRM onder andere in de zaak Pretty) en als element bij de beperking van grondrechten (bijvoorbeeld de Zuid-Afrikaanse Grondwet onderdeel 36) gebruikt. Volgens Brems en Vrielink heeft het Hongaarse Grondwettelijke Hof het recht op leven en menselijke waardigheid als bron van alle andere rechten benoemd, waardoor de menselijke waardigheid als principe bij de interpretatie van andere rechten wordt gebruikt.13 In de preambule of bepalingen van het EVRM worden de mensenrechten niet expliciet gebaseerd op de menselijke waardigheid, maar het EHRM overwoog onder andere in de zaak Pretty dat
‘[t]he very essence of the Convention is respect for human dignity and human freedom and the notions of self-determination and personal autonomy are important principles underlying the interpretation of its guarantees’.14
In de Zuid-Afrikaanse Grondwet is een algemene beperkingsclausule voor grondrechten opgenomen in artikel 36. De bepaling luidt:
‘The rights in the Bill of Rights may be limited only in terms of law of general application to the extent that the limitation is reasonable and justifiable in an open and democratic society based on human dignity, equality and freedom, taking into account all relevant factors.’
De menselijke waardigheid is dus een van de noties waarmee de grens van een rechtvaardige beperking van een grondrecht wordt bepaald.15
Daarnaast kan de menselijke waardigheid ook als autonoom grondrecht in constituties en verdragen worden opgenomen. Voorbeelden van de menselijke waardigheid als autonoom grondrecht zijn artikel 1 Handvest grondrechten EU en artikel 1 van het Duitse Grundgesetz (GG). De teksten van de beide bepalingen zijn respectievelijk ‘[d]e menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd’ en ‘[d]ie Würde des Menschen ist unantastbar. Sie zu achten und zu schützen ist Verpflichtung aller staatlichen Gewalt.’ De twee voorbeelden zijn vrijwel identiek. Zoals ook voor de menselijke waardigheid als grondslag voor mensenrechten, geldt voor de menselijke waardigheid als autonoom grondrecht dat niet concreet is geformuleerd welke eigenschap(pen) van de mens op welke wijze worden beschermd. Verschillende landen gebruiken het recht op respect voor menselijke waardigheid dan ook als paraplurecht of ‘rechtontleningsbepaling’.16 Rechten die niet expliciet in de constitutie staan vermeld, worden dan gebaseerd op en geschaard onder het recht op respect voor menselijke waardigheid. Brems en Vrielink geven onder andere als voorbeelden het Hongaarse Grondwettelijke Hof, dat verschillende rechten die de autonome keuze van burgers beschermen, waaronder vrije vakbondsvertegenwoordiging, onder de notie laat vallen, en het Israëlisch Hooggerechtshof, dat de vrijheid van meningsuiting schaart onder de noemer menselijke waardigheid.17 Het juridische concept menselijke waardigheid krijgt op deze manier echter pas een betekenis door andere mensenrechten. De Baets concludeert daarom dat mensenrechten nodig zijn om de menselijke waardigheid operationeel te maken.18 Door het autonome recht op bescherming van de menselijke waardigheid als paraplurecht of rechtontleningsbepaling te gebruiken, worden de verschillende tussen de drie hier onderscheidde functies minimaal.19 In alle functies is het begrip menselijke waardigheid vaag – Tiedemann noemt het juridische concept ongrijpbaar en een lege formule20 – terwijl het wordt gebruikt als grondslag voor en interpretatieprincipe bij andere grondrechten. Ook in Duitsland, waar de menselijke waardigheid expliciet in de Grondwet is opgenomen, speelt de discussie of het een zelfstandig grondrecht is of eerder een rechtontleningsbepaling of richtinggevend principe bij de interpretatie van andere rechten.21 In de Polen is de menselijke waardigheid een autonoom grondrecht en vormt het basis voor andere grondrechten.22 In die zin is De Baets’ opmerking dat specifieke mensenrechten noodzakelijk zijn om de menselijke waardigheid handen en voeten te geven goed te begrijpen.23 We zitten derhalve met een soort hermeneutische cirkel opgescheept: menselijke waardigheid betekent dat burgers mensenrechten a, b, c et cetera bezitten, terwijl door uitoefening en bescherming van dezelfde mensenrechten de waardigheid van de mens eerbiedigt. Zo lijkt het concept menselijke waardigheid als zodanig weinig betekenis te hebben en wordt de inhoud bepaald door andere, op de menselijke waardigheid gebaseerde mensenrechten.