Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/1.3.2
1.3.2 Terminologie
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS454441:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tweehuysen 2009; Tweehuysen 2011.
Baur & Stürner 2009, p. 39-40; Brehm & Berger 2014 §1 nr. 42-43, §27 nr. 3; Prütting 2014, nr. 23a-26; Wolf 2006, nr. 29. Staudinger/Seiler 2012 Einl. SachenR nr. 54, MünchKommBGB/Gaier 2013 Einl. SachenR nr. 21 en Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 24-25 lijken de Spezialitätsgrundsatz echter meer in de zin van bepaaldheid op te vatten.
Zie bijvoorbeeld Verstappen 1996, p. 79-85; Zwalve 2006a, p. 351. Vgl. De Ruiter 1963, p. 80; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:227 BW, aant. 2.1.1 (online, laatst bijgewerkt op 10 februari 2015); Verstappen 2002, p. 123. Volgens Van Hoof 2015, p. 247, 356 gebruikt Suijling de term individualiseringsbeginsel wel in deze zin. Het is de vraag of Suijling die term exact op die manier gebruikt. Suijling 1940, nr. 78 refereert onder het kopje individualiseringsbeginsel; zakelijke rechten slechts aanbepaalde lichamelijke zaken bestaanbaar aan het onjuiste spraakgebruik van ‘eigendom van een vermogen’. Hij wijst erop dat het strikt genomen zou moeten zijn ‘gerechtigdheid tot een vermogen’ en geeft tegelijk het voorbeeld van de vordering, waarbij men ook zou moeten spreken van ‘gerechtigdheid’ in plaats van ‘eigendom’. Ook wijst hij erop dat object van een zakelijk recht altijd een ‘individueel bepaalde’ zaak dient te zijn; daarmee lijkt hij echter op het bepaaldheidsvereiste te doelen. Of mogelijk doelt hij op het feit dat eigendom van een gedeelte van een andere zaak niet mogelijk is zolang dit gedeelte daarvan niet is afgescheiden (denk aan het bekende voorbeeld van een bepaalde hoeveelheid graan die nog deel uitmaakt van een grotere hoop graan); er moet sprake zijn van een zelfstandige zaak. (Zie over de vaak verwarrende terminologie in dit kader Wichers 2002, p. 47- 48.) Waar hij bespreekt dat een vermogen geen object van zakelijke rechten kan zijn (nr. 56) verwijst hij weliswaar met “vg.” naar het nummer (78) waar hij het individualiseringsbeginsel bespreekt (en vice versa), maar het is mij niet duidelijk of hij daarmee één op één hetzelfde bedoelt.
Zie Van Hoof 2015, p. 203-204. Voorbeelden van gevallen waarin de term specialiteitsbeginsel of een variant daarop wordt gebruikt in een andere betekenis dan die van het uniciteitsbeginsel: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 298; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 244, 246, 251, 259, 288, 332; Van Es, GS Vermogensrecht, art. 3:89, aant. 22aa (online, laatst bijgewerkt 1 oktober 2011); Janssen 2006a, p. 752; Kaptein 2013, paragraaf 4; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 562; Spath 2010, p. 337; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:239, aant. 22.1 (online, laatst bijgewerkt op 30 oktober 2013); Struycken 1997, p. 122; Verstappen 2002, p. 114, 123, 161; Van Vliet 2015; Westrik 2003, p. 125; Zevenbergen & De Jong 2003, p. 3; het register van Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, waar op p. 789 onder de term individualiseringseis wordt verwezen naar de term specialiteitseis en het bepaaldheidsvereiste.
Van Hoof 2015, p. 247-248, wijst erop dat het gebruik van de term “specialiteitsbeginsel” voor het uitgangspunt dat iemand niet één recht op meer zaken tezamen kan hebben verwarrend werkt.
Naast dat de termen specialiteit (zie deze paragraaf) en bepaaldheid (zie de vorige paragraaf) beter gereserveerd kunnen blijven om uitsluitend de onder die begrippen vallende regels aan te duiden, en niet óók het uniciteitsbeginsel, is naar mijn mening de term individualiteit of individualisering (die Suijling 1940, nr. 78 mogelijk voor het uniciteitsbeginsel gebruikt en in navolging daarvan Van Hoof 2015, p. 247-248, 356) niet geschikt in plaats van de term uniciteit, omdat individualiteit of individualisering óók al voor diverse andere gevallen wordt gebruikt en om die reden op zichzelf al verwarring wekt. Zie Wichers 2002, p. 47-48: “‘Individualiseren’ kan betekenen iets als op zichzelf staands beschouwen. […] ‘Individualiseren’ kan ook betekenen nader bepalen, aanwijzen of verbijzonderen.” Zie voorts Van Hoof 2015, p. 357-359.
Wel zal het beginsel in hoofdstuk 2 verduidelijkt worden en wordt het gaandeweg afgezet tegen andere principes en leerstukken.
7. Ik heb overwogen om het principe dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten, en niet op meer dan één object tegelijk, aan te duiden met de term specialiteitsbeginsel. In eerdere publicaties heb ik dat ook gedaan.1 De aanduiding specialiteitsbeginsel leek voor de hand te liggen omdat in de (schaarse) gevallen waarin gesproken wordt over het principe dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten, het met deze term wordt aangeduid. In de Duitse rechtsliteratuur wordt de term Spezialitätsgrundsatz zelfs veelal exclusief gereserveerd voor dit beginsel.2 In Nederlandse literatuur wordt alleen deze term – en bijvoorbeeld niet de termen bepaaldheid en individualisatie – óók gebruikt als benaming voor de grondregel van ons goederenrecht dat een goederenrechtelijk recht enkel betrekking kan hebben op één object.3
Niettemin wordt de term specialiteitsbeginsel doorgaans gebruikt in een andere betekenis dan die van het principe dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten, namelijk in de betekenis van de eis dat bij het beschikken over registergoederen deze goederen in de akte afzonderlijk dienen te worden omschreven.4 Gezien de historische achtergrond van deze eis van bijzondere aanduiding van registergoederen, waar ik in hoofdstuk 5 nog op zal terugkomen, is het ook logisch dat hiervoor de term specialiteitsbeginsel wordt gebruikt.
Om begripsverwarring te voorkomen gebruik ik daarom een andere term voor het onderwerp van dit onderzoek.5 Er is nog geen term in gebruik in de Nederlandse rechtsliteratuur die niet ook voor andere principes wordt gebruikt en exact de lading dekt.6 Van de term uniciteitsbeginsel is – in ieder geval binnen het burgerlijke recht – geen verwarring te verwachten met andere principes. Bovendien refereert uniciteit aan het feit dat dit beginsel dicteert dat slechts één object tegelijk belast kan zijn met één goederenrechtelijk recht. Vanwege de voorgaande redenen kies ik er daarom voor het beginsel dat centraal staat in dit proefschrift aan te duiden met uniciteitsbeginsel. Ik hecht overigens niet aan de term uniciteit; het beginsel had ook een andere benaming kunnen krijgen. Want, what’sin a name? Het is vooral belangrijk begripsverwarring te voorkomen en daarom het beestje een (onderscheidende) naam te geven.
8. Uit het voorgaande volgt dat ik bij mijn onderzoek geen acht heb kunnen slaan (en ook niet heb geslagen) op de term die in de wet, literatuur of rechtspraak wordt gebruikt voor het uniciteitsbeginsel. De term uniciteitsbeginsel is immers nog niet in omloop en zoals gezegd wordt met de term specialiteitsbeginsel ook een ander principe aangeduid. Veeleer heb ik door wat bekend is over de algemeenheid van goederen, over andere gevallen waar zich mogelijk een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor zou kunnen doen en over wat de rechtsobjecten in het goederenrecht zijn, mij beetje bij beetje een beeld kunnen vormen van het uniciteitsbeginsel.
Ook volgt uit het voorgaande dat het niet mijn bedoeling is om door middel van literatuur- en bronnenonderzoek te achterhalen wat de inhoud van het uniciteitsbeginsel is. Ik onderzoek in dit proefschrift de rol van het uniciteitsbeginsel zoals ik dat in paragraaf 1.1 heb gedefinieerd.7 Ook zal ik niet ingaan op de vraag wat een beginsel is. Het uniciteitsbeginsel kan, wanneer men de term ‘beginsel’ problematisch vindt, in plaats daarvan ook gezien worden als een regel of eigenschap van ons goederenrecht.