Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/1.3.1
1.3.1 Bepaaldheid
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS450860:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74; Diephuis 1 1885, p. 450-452; Fesevur 2005, p. 30-31; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16; De Ruiter 1963, p. 80; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:227 BW, aant. 2.1 (online, laatst bijgewerkt op 30 oktober 2013); Suijling 1940, nr. 54; Verstappen 1996, p. 79-86; Verstappen 2002, p. 123; Zwalve 2006a. Vgl. Meijers 1948, p. 138 e.v.
Vgl. Van Hoof 2015, p. 355-356. Enkele voorbeelden: Verstappen 2002, p. 123, die het bepaaldheidsvereiste in verband brengt met de Duitse Spezialitätsgrundsatz, dat wil zeggen het uniciteitsbeginsel, en p. 161. Struycken 1998 behandelt de floatingcharge als “een pandrecht op een heel ondernemingsvermogen” (wat opgevat zou kunnen worden alsof hij daarmee één pandrecht op meerdere objecten bedoelt, het tegengestelde van het uniciteitsbeginsel) in relatie tot het bepaaldheidsvereiste, zie ook Struycken 1997. Ook uit De Blécourt/Fischer 1969, nr. 178 wordt niet duidelijk of de auteur het oog heeft op één hypotheekrecht op meerdere goederen of op evenzoveel hypotheekrechten als goederen, zij het dat die goederen niet nader gespecificeerd zijn. Iets vergelijkbaars doet zich voor bij de bespreking door Van den Heuvel 2004, hoofdstuk 1, van ‘generieke’ zekerheidsrechten. Zoals zal blijken uit paragraaf 1.3.2 wordt de term specialiteitsbeginsel soms gebruikt voor het uniciteitsbeginsel (De Ruiter 1963, p. 80; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:227 BW, aant. 2.1 (online, laatst bijgewerkt op 30 oktober 2013); Verstappen 1996, p. 79-85; Verstappen 2002, p. 123; Zwalve 2006a). Op andere plaatsen wordt deze term gebruikt om het bepaaldheidsvereiste bij registergoederen aan te duiden (zie bijvoorbeeld Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 298, 465; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 244; Bartels 2004a; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 193; zie voorts paragraaf 5.2). Zie ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74, 298, 465, waar in het ene nummer de term specialiteitsbeginsel wordt gebruikt voor het specialiteitsbeginsel dat samenhangt met het bepaaldheidsvereiste (zie paragraaf 4.3.2.2) en in het andere nummer voor het uniciteitsbeginsel. Zie ook Suijling 1940, nr. 476.
Brinkmann 2011, p. 123-124; Gottwald/Adolphsen 2010 §43 nr. 76; Münch- KommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 6-7; Paulus 1995, p. 188;Wilhelm 2010, nr. 20-23.
Brehm & Berger 2014, §1, nr. 42-43; Prütting 2014, nr. 23a-27; Wolf 1965, p. 37 e.v. Anders: Staudinger/Wiegand 2011 Anh zu §§ 929-931 nr. 95, die van mening is dat het niet zinvol is een onderscheid tussen bepaaldheid en uniciteit te maken, zonder verdere toelichting.
Brehm & Berger 2014, §1, nr. 42-43; Prütting 2014, nr. 27.
Zie over de verhouding van het specialiteitsbeginsel tot het bepaaldheidsvereiste ook paragraaf 4.3.2.2.
6. Het uniciteitsbeginsel wordt in de rechtsliteratuur onder verschillende benamingen en in verschillende contexten beschreven.1 Telkens gaat het dan, zij het in iets andere bewoordingen, om het principe dat slechts afzonderlijke goederen object kunnen zijn van goederenrechtelijke rechten – en niet meer objecten tegelijk. Het uniciteitsbeginsel dus. Wanneer ik met juristen over dit onderwerp spreek, stapt men al gauw – vaak ongemerkt – over op een ander principe, namelijk het bepaaldheidsvereiste. Kennelijk liggen deze principes erg dicht bij elkaar en worden ze gemakkelijk met elkaar verward. Ook in de literatuur worden deze twee principes niet altijd duidelijk van elkaar onderscheiden.2
Het betreft echter twee verschillende concepten. Het uniciteitsbeginsel is het principe dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten – en niet op meer dan één object tegelijk. Het uniciteitsbeginsel draait daarmee om de vraag hoeveel objecten één goederenrechtelijk recht kan hebben; om wat de rechtsobjecten van goederenrechtelijke rechten eigenlijk (kunnen) zijn. Het (goederenrechtelijke) bepaaldheidsvereiste houdt echter in dat objecten bij de overdracht ervan of bij de vestiging van beperkte rechten erop met voldoende bepaaldheid omschreven moeten zijn. Dit staat los van de vraag in hoeveel rechten op de objecten deze beschikkingshandeling resulteert. In de Duitse rechtsliteratuur wordt dit onderscheid tussen de twee principes doorgaans erkend3 en benadrukt:4 het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz) ziet op het bestaan van afzonderlijke rechten op afzonderlijke objecten en het afzonderlijk beschikken daarover, terwijl het bepaaldheidsvereiste (Bestimmtheitsgrundsatz) ziet op de aanduiding van de betrokken objecten.5
Het uniciteitsbeginsel en het bepaaldheidsvereiste dienen dus van elkaar onderscheiden te worden. Dit boek betreft in essentie niet het bepaaldheidsvereiste, maar het uniciteitsbeginsel, en zal daarom géén onderzoek naar het bepaaldheidsvereiste inhouden. Dat neemt niet weg dat het bepaaldheidsvereiste wel sterk samenhangt met het uniciteitsbeginsel (paragraaf 4.3.2.2) en om die reden regelmatig ter sprake komt.6