De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.2.3:7.2.3 Het verschil tussen de rechtsvormen wat betreft de juridische organisatiestructuur: welke rechtsvorm biedt de optimale combinatie van flexibiliteit, rechtszekerheid en continuïteit?
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.2.3
7.2.3 Het verschil tussen de rechtsvormen wat betreft de juridische organisatiestructuur: welke rechtsvorm biedt de optimale combinatie van flexibiliteit, rechtszekerheid en continuïteit?
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383136:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 5 van dit proefschrift is een antwoord gezocht op de (deel)vraag welke rechtsvorm de optimale juridische (interne) organisatiestructuur biedt voor de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren. Om tot een antwoord op deze vraag te komen, is aan de hand van de levensloop van de rechtsvorm(en) een vergelijking gemaakt tussen de interne structuren van de maatschap, BV, NV en coöperatie. Uitgangspunt voor deze vergelijking vormde (ook bij deze deelvraag) de rechtsvorm van de maatschap, omdat dit het samenwerkingsverband is dat van oorsprong bedoeld is voor beroepsbeoefenaren en (derhalve) traditioneel door beroepsbeoefenaren wordt gebruikt. De aanname is daarmee dat de interne structuur van deze rechtsvorm, in elk geval oorspronkelijk, voldoet aan de behoeften van samenwerkende beroepsbeoefenaren.
De belangrijkste kenmerken van de (interne) inrichting van de samenwerking binnen de maatschap zijn:
het gebruik van een rechtsvorm die van nature gericht is op samenwerking;
gelijkwaardigheid tussen de vennoten;
een ‘platte’ organisatie waarin zeggenschap en winstgerechtigheid van de ‘compagnons’ (in beginsel) samengaan;
de samenwerking heeft een persoonsgebonden en besloten karakter (de onderlinge afspraken en ook jaarcijfers zijn voor (het grootste deel) niet kenbaar voor derden);
bij de samenwerking en de inrichting van de rechtsvorm dient rekening te (kunnen) worden gehouden met de beroepsregels van de samenwerkende beroepsgroep(en).
Aan de hand van de beschrijving van de verschillende organisatiestructuren is vervolgens gekeken in hoeverre de verschillende rechtsvormen beantwoorden aan de belangrijkste drijfveren (flexibiliteit, continuïteit en rechtszekerheid) bij de keuze van een interne organisatiestructuur (in het algemeen). Uit deze beschrijving komt naar voren dat het antwoord op bovenstaande (deel)vraag niet eenduidig is. Geen van de besproken en met elkaar vergeleken rechtsvormen voldoet (in basis) namelijk aan alle drie de drijfveren en biedt hiermee een combinatie van flexibiliteit, continuïteit en rechtszekerheid. Welke rechtsvorm de optimale interne organisatiestructuur biedt voor samenwerking in het beroep is derhalve sterk afhankelijk van het feit aan welke driver prioriteit wordt gegeven. Dit zal, op zichzelf, weer afhangen van de specifieke wensen en omstandigheden van de samenwerkende beroepsbeoefenaren, zoals de wijze van samenwerken, kapitaalbehoefte en het specifieke doel van de samenwerking.
De maatschap is een zeer flexibele rechtsvorm. Vanwege het grotendeels regelende recht dat op haar van toepassing is alsmede vanwege haar contractuele karakter, is de interne structuur (onder andere ten aanzien van het aangaan, het kapitaal en de orgaan- en beheersstructuur1) van de maatschap voor een groot gedeelte naar wens (van beroepsbeoefenaren) in te richten. Zij is echter minder aantrekkelijk op het gebied van continuïteit en rechtszekerheid. Een belangrijk nadeel van de maatschap is dat zij naar huidig recht geen rechtspersoonlijkheid heeft. Dit heeft (met name) belangrijke (en vaak nadelige) goederenrechtelijke consequenties. Ook de winst- en verliesregeling van de maatschap wordt als star en ouderwets ervaren. Bovendien heeft de maatschap als belangrijk nadeel dat elke wisseling in de vennoten – zonder aanvullende maatregelen – tot ontbinding leidt. Hiermee levert zij aanzienlijk in op de mate waarin zij (van nature) in continuïteit van de rechtsvorm voorziet. Tot slot wordt het gebrek aan herstructureringsmogelijkheden als bezwaarlijk gezien.
Voor de rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid die in dit onderzoek centraal staan, geldt in feite het tegenovergestelde. Deze rechtsvormen zijn op basis van het grotendeels dwingend recht waaraan zij onderhevig zijn en vanwege hun karakter als rechtspersoon, gericht op continuïteit en rechtszekerheid. Omwille van dezelfde redenen verliezen zij echter – ten opzichte van de maatschap – aanzienlijk aan flexibiliteit.
Dit betekent dat er een keuze zal moeten worden gemaakt tussen de drivers. Ofwel men kiest voor veel flexibiliteit waarbij voldoende aanvullende afspraken moeten worden gemaakt om de continuïteit en rechtszekerheid (voor de vennoten) te waarborgen, ofwel men stelt continuïteit en rechtszekerheid voorop en tracht door middel van (aanvullende) regelingen in de statuten en een leden- of eventuele aandeelhoudersovereenkomst een hogere mate van flexibiliteit te verkrijgen.
Wanneer voornamelijk behoefte bestaat aan flexibiliteit, geniet de maatschap (nog altijd) de voorkeur. Zij is vanwege haar contractuele karakter flexibel gedurende haar gehele levensloop, kent een voor beroepsuitoefening geschikte, platte organisatiestructuur en de nadelen die de interne organisatiestructuur van deze rechtsvorm kent (bijvoorbeeld ten aanzien van de winst- en verliesregeling en de gevolgen van wisselingen in de vennoten), zijn voor een groot deel anders of aanvullend te regelen in de maatschapsovereenkomst. Bovendien past haar karakter als personenvennootschap het beste bij het doel van samenwerkende beroepsbeoefenaren die elkaar uitkiezen op basis van elkaars kwaliteiten en professionaliteit.
Ook de coöperatie verdient in dit kader bijzondere aandacht. Deze rechtsvorm combineert, van alle in dit onderzoek besproken rechtspersonen, continuïteit en rechtszekerheid met de meeste flexibiliteit. Zij is flexibel ten aanzien van haar orgaan- en kapitaalstructuur en ook op het gebied van besluitvorming onderworpen aan weinig (dwingendrechtelijke) regels. Daarnaast gelden er voor haar in het algemeen – en in verhouding tot de kapitaalvennootschappen – minder wettelijke bepalingen. Daardoor bestaat er meer ruimte voor eigen inbreng bij de vormgeving van de interne structuur van deze rechtsvorm. Bovendien is zij naar haar aard gericht op samenwerking. Zo op het eerste gezicht lijkt de coöperatie dé optimale interne structuur voor de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren te bieden. Ze biedt immers rechtszekerheid, continuïteit én een grote mate van flexibiliteit en is daarmee aantrekkelijker dan de maatschap. Het feit echter dat de interne organisatie van de coöperatie oorspronkelijk niet ontworpen is met het doel om beroepsuitoefening te faciliteren, maakt haar naar mijn mening – in verhouding tot de maatschap – minder aantrekkelijk als rechtsvorm voor de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren. Het zal hierdoor namelijk niet in alle gevallen even gemakkelijk zijn om vorm te geven aan de invulling van de dwingendrechtelijke wettelijke omschrijving van deze rechtsvorm (artikel 2:53 BW). Daarnaast is en blijft de coöperatie voor een (groot) deel onderworpen aan het dwingendrechtelijke regime van Boek 2 BW. (Ook) dit maakt haar minder flexibel (en besloten) dan de maatschap.
De BV is sinds de invoering van de Wet Flex-BV aanzienlijk flexibeler wat betreft haar structuur en inrichting. Zeker in combinatie met een aandeelhoudersovereenkomst en/of statutaire verplichtingen (van verbintenisrechtelijke aard) voor aandeelhouders is zij ten aanzien van in het bijzonder de inrichting van de beheersstructuur, de besluitvormingsprocedure en de vergaderorde veel flexibeler in te richten dan de NV. De mogelijkheid om statutair te voorzien in winstrechtloze aandelen, geeft haar bovendien een voorsprong op de maatschap ten aanzien van de inrichtingsvrijheid op het terrein van de winst- en verliesregeling. Het is echter de vraag in hoeverre dit (laatstgenoemde) voordeel van de BV relevant is voor samenwerkende beroepsbeoefenaren, omdat zeer waarschijnlijk is dat in het kader van beroepsuitoefening alle vennoten zullen willen delen in de winst.2 Ik verwacht daarom dat samenwerkende beroepsbeoefenaren in de praktijk weinig tot geen gebruik zullen maken van de mogelijkheid tot het creëren van winstrechtloze aandelen. Het karakter van de BV (als kapitaalvennootschap, waardoor bijvoorbeeld altijd rekening gehouden dient te worden met het vennootschappelijk belang) en met name de aanzienlijke hoeveelheid (dwingendrechtelijke) regels die – in vergelijking met de maatschap en de coöperatie – voor haar gelden ten aanzien van bijvoorbeeld kapitaal, besluitvorming en orgaanstructuur, maken haar minder aantrekkelijk voor samenwerking in het beroep. De BV verdient daarom, naar mijn mening, wat betreft haar mogelijkheden tot het inrichten van haar interne structuur niet de voorkeur boven de maatschap en de coöperatie.
Van de in dit onderzoek meegenomen rechtsvormen heeft de NV, vanwege de hoge mate van dwingendrechtelijke voorschriften die – gedurende haar gehele levensloop – voor haar gelden, de minst gunstige interne structuur voor samenwerking van beroepsbeoefenaren.