De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.2.2:7.2.2 Het verschil in fiscaliteit bij de besproken rechtsvormen
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.2.2
7.2.2 Het verschil in fiscaliteit bij de besproken rechtsvormen
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390358:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uitgaande van een gelijk aandelenbelang per vennoot (dat ten minste 5% dient te bedragen).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek is ook getracht een antwoord te vinden op de vraag welke rechtsvorm fiscaal gezien optimaal is voor de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren (hoofdstuk 4). Uit de korte beschrijving van de verschillende fiscale regels die in dit kader van belang zijn, kwam naar voren dat er geen eenduidig antwoord te geven is op deze vraag. Het antwoord is namelijk in grote mate afhankelijk van de omstandigheden en de specifieke wensen van beroepsbeoefenaren. De toepasbare fiscale faciliteiten, het salarisniveau dat beroepsbeoefenaren voor zichzelf willen hanteren, de gewenste pensioenopbouw en de hoogte van de winst zijn onder meer variabelen die daarbij een rol spelen. Op basis van de hoogte van de (belastbare) winst kan wel in het algemeen een uitspraak worden gedaan over de aantrekkelijkheid van de verschillende rechtsvormen. Tot een winst van € 150.000 per vennoot is het voor de beroepsoefenaar vanuit fiscaal oogpunt in de meeste gevallen voordeliger om zijn onderneming te drijven in de (fiscaal transparante) maatschap. Vanaf een winst van € 150.000 wordt het voor de beroepsoefenaar vanuit fiscaal oogpunt voordeliger om zijn onderneming te drijven in een rechtspersoon. Het zogenoemde omslagpunt (in aantrekkelijkheid) ligt dus rond een winst van € 150.000 per vennoot.
Voor kleine samenwerkingsverbanden (van natuurlijke personen), waarbij de winst gering is, zal daarom de (fiscaal transparante) maatschap, fiscaal gezien, de voorkeur genieten. Bij grote(re) samenwerkingsvormen waarbij meer dan € 150.000 winst per vennoot wordt gemaakt, zal een voorkeur bestaan voor een rechtsvorm die onderworpen is aan het belastingregime van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) (in het kader van dit onderzoek de BV, de NV en de coöperatie). Ook de omvang van de rechtsvorm speelt dus een rol bij de bepaling van het fiscaal meest gunstige stelsel. Overigens niet alleen in het kader van de winst per vennoot. Voor samenwerkingsverbanden van meer dan twintig beroepsbeoefenaren1 die, op basis van de hoogte van hun winst, kiezen voor een rechtsvorm die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, geldt namelijk dat in de meeste gevallen de coöperatie, vanwege de deelnemingsvrijstelling, fiscaal gezien de gunstigste rechtsvorm is.
Tot slot kan ook de gewenste aansprakelijkheidsbeperkingsconstructie een rol spelen bij de fiscale keuze van een rechtsvorm. Wanneer beroepsbeoefenaren namelijk gebruik wensen te maken van een praktijkvennootschap betekent dit dat zij per definitie te maken krijgen met de vennootschapsbelasting (artikel 1 jo. artikel 2 Wet Vpb 1969) of dit nu (met het oog op de hoogte van de winst) fiscaal voordeliger is of niet. Ook hiermee dient bij de keuze van een rechtsvorm dus rekening gehouden te worden.
Het zou wenselijk zijn als de fiscale factor helemaal geen rol zou spelen bij rechtsvormkeuze. Hoewel de wetgever zegt te streven naar een evenwichtige balans in belastingheffing bij de verschillende rechtsvormen, blijkt uit bovenstaande dat dit doel van de wetgever niet gehaald is. In paragraaf 7.4 zal worden ingegaan op een eventuele oplossing voor deze problematiek.