Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.1:8.1 Inleiding
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS594994:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tjittes 2001b, p. 42.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/161.
Zie par. 7.7.1 voor uitleg over wat ik als standaardsituaties beschouw. Zie over het onderscheid tussen standaardsituaties en gevallen van kennisversplintering par. 9.2.
Dat wil zeggen: functionarissen die niet tevens (lid van) een orgaan van de rechtspersoon zijn.
De ‘dubbele toerekening’ die bij organen nodig is (toerekening van kennis van orgaanlid aan het orgaan, gevolgd door toerekening van kennis van het orgaan aan de rechtspersoon) werd reeds behandeld bij randnummer 114.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
241. Er wordt wel geschreven dat de kennis van organen van de rechtspersoon “per definitie”1 of “in de regel”2 geldt als kennis van de rechtspersoon. In dit hoofdstuk ga ik na of dat zo is, en zo ja, wat daarvoor de rechtvaardiging is. Daarbij beperk ik mij tot standaardsituaties, dat wil zeggen situaties waarin het orgaan met de relevante kennis zelf betrokken is bij het aspect van de rechtsverhouding tussen de rechtspersoon en de wederpartij waarvoor die kennis relevant is.3 Denk aan het bestuur dat zelf de overeenkomst sluit waarvan de uitleg afhangt van de kennis die partijen tijdens de onderhandelingen hadden. Een ander voorbeeld is de raad van commissarissen (rvc) die de statutair vereiste goedkeuring verleent aan het doen van een grote aankoop die de rechtspersoon later wegens dwaling wenst te vernietigen.
Voor lagere functionarissen4 onderscheidde ik in de vorige hoofdstukken twee typen standaardgevallen: dat waarin de functionaris namens de rechtspersoon een rechtshandeling verricht en overige gevallen waarin de functionaris betrokken is bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding. Verricht een lagere functionaris een rechtshandeling, dan geschiedt dat op basis van (schijn van) volmachtverlening, al dan niet impliciet. Toerekening van kennis volgt dan uit art. 3:66 lid 2 BW. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van organen vindt echter niet haar grondslag in volmacht, maar in de wet. Een equivalent van art. 3:66 lid 2 BW voor wettelijke vertegenwoordigers bestaat niet. In dit hoofdstuk onderzoek ik onder meer of analoge toepassing van dit artikellid op (leden van5) organen mogelijk en noodzakelijk is.
242. Is een lagere functionaris op andere wijze betrokken bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding, dan wordt zijn kennis aan de rechtspersoon toegerekend, zo betoogde ik in hoofdstuk 7, indien het tot zijn taak behoort om maatregelen te nemen naar aanleiding van zijn kennis. In het individuele geval zal moeten worden vastgesteld wat zijn functie inhield en welke maatregelen van iemand in die functie mochten worden verwacht. Daar valt in zijn algemeenheid weinig over te zeggen, gezien het brede scala aan functies en taken dat binnen de diverse organisaties bestaat. Over de functies van organen valt wel het een en ander te zeggen: hun bevoegdheden zijn vastgelegd in de wet en hun rol binnen de rechtspersoon is redelijk vastomlijnd, zeker die van andere organen dan het bestuur. In dit hoofdstuk beschouw ik aan de hand van vier kenmerken van die functies: (i) of het voor de hand ligt om de kennis van het orgaan toe te rekenen aan de rechtspersoon, (ii) wat voor het orgaan in kwestie typisch als standaardgeval zal gelden en (iii) of de kennis van een lid van het orgaan heeft te gelden als kennis van het orgaan. De vier bedoelde kenmerken zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid, instructiemacht, informatiepositie en verantwoordelijkheid voor het belang van de rechtspersoon. In par. 8.2 licht ik toe wat die begrippen inhouden. In de paragrafen daarna volgt een beschouwing per orgaan. In par. 8.3 en 8.4 komen het bestuur en met bestuurders vergelijkbare personen aan de orde. Voor de overige organen, die een veel beperkter takenpakket hebben, onderzoek ik nader wat voor hen als standaardgeval zal gelden (par. 8.5). Daarna behandel ik de raad van commissarissen (par. 8.6), niet-uitvoerende bestuurders (par. 8.7) en de algemene vergadering (par. 8.8). Overige organen laat ik buiten beschouwing. In par. 8.5.1 licht ik toe waarom. Ook op de specifieke bevoegdheidsverdeling binnen structuurvennootschappen ga ik niet in.
Meerdere van de wetsbepalingen die in dit hoofdstuk worden genoemd, zullen verdwijnen of van nummering wijzigen indien het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (34 491) wordt aangenomen. Bij het afsluiten van dit manuscript was dit wetsvoorstel nog aanhangig in de Tweede Kamer. Hierna geef ik telkens in voetnoten weer wat de nummering van de desbetreffende bepaling is in dit wetsvoorstel (waaraan ik hierna zal refereren met ‘Wbtr’).