Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.9:8.9 Conclusie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.9
8.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596148:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
287. In dit hoofdstuk kwam de toerekening van de kennis van organen aan de rechtspersoon in standaardsituaties aan de orde. Standaardsituaties kunnen voor het bestuur van een rechtspersoon, gezien zijn brede takenpakket en betrokkenheid bij al het reilen en zeilen van de rechtspersoon, allerlei situaties omvatten. Voor andere organen bepalen hun wettelijke en statutaire bevoegdheden in beginsel wanneer sprake is van een standaardsituatie, namelijk: wanneer zij die bevoegdheden uitoefenen. De in hoofdstuk 7 geformuleerde regel over de toerekening van kennis in standaardsituaties laat de toerekening afhangen van de taak van de functionaris om naar aanleiding van de informatie maatregelen te treffen. Gezien de belangrijke rol die organen spelen binnen de rechtspersoon en het feit dat hun taken wettelijk omschreven zijn, heeft hun functie in dit hoofdstuk afzonderlijk aandacht gekregen.
288. Kenmerkend voor organen is ten eerste dat de wet aan hen vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent – een ruime bevoegdheid in geval van het bestuur, nauw omschreven bevoegdheden voor andere organen (besluiten met direct externe werking). Voor de bepaling van de inhoud of gevolgen van de rechtshandelingen die door organen worden verricht, geldt hun kennis als die van de rechtspersoon. Ook in andere standaardsituaties zal de kennis van een orgaan als regel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Bij andere organen dan het bestuur zijn dit situaties waarin het orgaan een besluit neemt met indirect externe werking. De ‘klakkeloze’ toerekening kan worden verklaard doordat organen ten aanzien van de uitoefening van hun bevoegdheden in een goede informatiepositie verkeren (ze worden vanuit de organisatie ‘gevoed’ met informatie) en beschikken over de mogelijkheid om naar aanleiding van die informatie maatregelen te treffen door middel van het uitoefenen van hun bevoegdheden. Dat laatste noem ik instructie- of uitvoeringsmacht. Tot slot bepaalt de verantwoordelijkheid van het orgaan voor het belang van de rechtspersoon mede of het orgaan maatregelen behoort te treffen. Hier is in het bijzonder de collegiale verantwoordelijkheid van het bestuur en de rvc van belang. Deze brengt een plicht mee om onderling informatie uit te wisselen. Daardoor wordt de kennis van een individuele bestuurder of commissaris in beginsel toegerekend aan het bestuur resp. de rvc en daarmee aan de rechtspersoon. Voor individuele aandeelhouders, bij wie deze verantwoordelijkheid ontbreekt, geldt dit niet.
Is de kennis van een orgaan relevant voor de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid of werkzaamheden, dan geldt zijn kennis dus in de regel als kennis van de rechtspersoon. Een uitzondering acht ik mogelijk wanneer de informatie zodanig specialistisch is, dat het orgaan(lid) de relevantie daarvan niet hoefde in te zien. In gevallen van kennisversplintering is wat mij betreft minder evident dat de kennis van een orgaan in de regel gelijk staat aan de kennis van de rechtspersoon, laat staan per definitie. Dat komt aan de orde in het volgende hoofdstuk.