Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.14.2.3.2
III.14.2.3.2 Intrekking op grond van de Werkloosheidswet
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS376511:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Art. 20 lid 1 sub b WW.
Art. 20 lid 1 sub e WW.
T&C Socialezekerheidsrecht 2014 art. 20 WW, aant. 1.
Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het verzwijgen van verrichte werkzaamheden. Vgl. CRvB 25 juli 2007, USZ 2007/283.
Zo geldt onder meer de verplichting om zich te onthouden van ernstige misdragingen jegens de met uitvoering belaste personen en instanties. Vgl. art. 26 lid 1 aanhef en onder a WW.
Kamerstukken II 1994/95, 23909 nr. 3, p. 52.
Art. 22a lid 2 WW.
T&C Socialezekerheidsrecht 2014, art. 22a WW aant. 7.
Stcrt. 2006, 230.
Het betreft het niet voldoen aan een inlichtingen- of medewerkingsverplichting, of het anderszins toedoen van de betrokkene. Vgl. art. 3 lid 1 en 2 Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006.
CRvB 6 maart 2013, AB 2013/148 m.nt. Bröring, JB 2013/88 en USZ 2013/118.
Van verminderde verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de beëindiging niet volledig voorzienbaar was. Dat kan het geval zijn wanneer een minder verstrekkende maatregel dan ontslag niet ondenkbaar zou zijn geweest. Zie T&C Socialezekerheidsrecht 2014, art. 27 WW, aant. 4, met een verwijzing naar Kamerstukken II 1995/96, 23909 nr, 14, p. 23.
Zie CRvB 5 april 2000, RSV 2000/151 en USZ 2000/134 m.nt. Lenos: art. 27 lid 1 WW is een gebonden bevoegdheid, dus toetsing aan art. 3:4 lid 2 Awb is uitgesloten. Het UWV kan slechts kiezen voor matiging op grond van de tweede volzin van art. 27 lid 1 WW indien de overtreding niet in overwegende mate verwijtbaar is. Zie tevens CRvB 5 april 2000, RSV 2000/152 m.nt. Krijnen, AB 2000/344 m.nt. Bröring, JB 2000/144 m.nt. Albers en USZ 2000/135.
Hierbij kan worden gedacht aan het onvoldoende solliciteren. Zie CRvB 12 juni 2002, RSV 2002/216.
Recidive kan een grond zijn om tot blijvende gehele weigering over te gaan. Vgl. CRvB 28 februari 2007, RSV 2007/222 en USZ 2007/157.
Zie hierover de Beleidsregel maatregelen UWV (Stcrt. 2008, 80). In deze beleidsregel is onder meer aangegeven in welke gevallen sprake is van verminderde dan wel verhoogde ernst en verwijtbaarheid.
Art. 27 lid 6 WW.
Art. 27lid 8 WW.
CRvB 5 april 2000, RSV 2000/152 m.nt. Krijnen, AB 2000/344 m.nt. Bröring, JB 2000/144 m.nt. Albers en USZ 2000/135.
CRvB 12 juni 2002, RSV 2002/216.
Art. 27 lid 9 jo art. 27a WW.
Overtredingen worden ingedeeld in categorieën en aan de hand daarvan wordt de hoogte van de maatregel bepaald. Zie de artikelen 2 e.v. van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.
Art. 26 lid 1 sub b en c WW.
Art. 27 lid 7 WW.
Eindigen van het recht op WW-uitkering
In welke gevallen het recht op WW-uitkering eindigt, is bepaald in art. 20 WW. In deze bepaling zijn enkele gronden opgenomen op basis waarvan het recht op WW-uitkering eindigt. Het betreft gevallen waarin niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden om voor een werkloosheidsuitkering in aanmerking te komen. Gedacht kan worden aan de situatie waarin de betrokkene niet langer werkloos is1 of de voor betrokkene geldende uitkeringsduur is verstreken.2 In deze gevallen eindigt het recht op uitkering van rechtswege.3 Er volgt slechts een declaratoire beslissing van het UWV, inhoudende dat het recht op WW-uitkering is geëindigd.
Intrekking en herziening
Een tweede relevante bepaling met betrekking tot de intrekking is art. 22a WW. In het eerste lid van dit artikel wordt een drietal intrekkings- en herzieningsgronden gegeven. Op grond van sub a vindt intrekking of herziening plaats indien ten gevolge van het niet of niet behoorlijk nakomen van bepaalde, op grond van de WW geldende, verplichtingen ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt. Het betreft de verplichting om te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden, dan wel werkloos te blijven (art. 24 WW), de algemene informatieplicht van art. 25 WW4 en de verplichtingen genoemd in art. 26 WW.5
Intrekking of herziening vindt ten tweede plaats indien de uitkering anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt (sub b). Het betreft de situatie waarin het UWV een fout heeft gemaakt, welke hersteld dient te worden.6 Tot slot wordt de werkloosheidsuitkering herzien of ingetrokken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de informatieverplichting van art. 25 WW ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat (sub c). Van herziening of intrekking kan geheel of gedeeltelijk worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.7 Dit kan slechts in uitzonderingsgevallen. De CRvB legt dit criterium dan ook zeer beperkt uit.8
De bevoegdheid tot intrekking en herziening op grond van art. 22a WW is nader uitgewerkt in de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006.9 Grofweg worden in deze beleidsregels twee situaties onderscheiden. Aan de herziening of intrekking kan op grond van art. 3 van deze Beleidsregels terugwerkende kracht worden verleend wanneer door het handelen van betrokkene de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt,10 respectievelijk wanneer het betrokkene redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.11 Wanneer het betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, dan vindt intrekking of herziening op grond van art. 4 lid 1 van de Beleidsregels plaats met ingang van de dag waarop het UWV dit aan betrokkene kenbaar heeft gemaakt. Ten aanzien van deze laatste bepaling overwoog de CRvB:
‘Aan deze bepaling ligt onder meer de notie ten grondslag dat een uitkering niet met terugwerkende kracht wordt ingetrokken in de situatie waarin de verzekerde er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat hij op die uitkering recht had. Daarmee wordt een categorale invulling aan het vertrouwensbeginsel ten behoeve van de verzekerde gegeven.’12
In casu werd onder meer aangevoerd dat het aan de werkgever van betrokkene duidelijk had kunnen zijn dat betrokkene geen recht had op een WWuitkering. Mijns inziens overweegt de CRvB ten aanzien daarvan terecht dat een en ander in dat kader niet relevant is. Art. 4 lid 1 van de Beleidsregels dient immers ter bescherming van het vertrouwen van verzekerden, zoals betrokkene.
Maatregel
Ook in de WW is de mogelijkheid opgenomen om een maatregel op te leggen (art. 27). De volgende situaties worden onderscheiden:
Op grond van het eerste lid wordt bij verwijtbare werkloosheid respectievelijk het door eigen toedoen geen passende arbeid behouden de uitkering blijvend geweigerd. Wanneer het niet nakomen van (één van) deze verplichtingen de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten,13 weigert het UWV de uitkering over ten hoogste 26 weken over de helft van het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet ontstaan;14
op grond van het tweede lid weigert het UWV blijvend ingeval van nalaten passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgen;15
op grond van het derde lid weigert het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk onder meer ingeval van onvoldoende trachten passende arbeid te verkrijgen of het stellen van eisen die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren;16
op grond van het tweede lid weigert het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien degene die tevens verzekerde is in de zin van de Ziektewet, zich niet houdt aan de verplichting welke is neergelegd in art. 45 lid 1 van die wet.
De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer.17 Wanneer verwijtbaarheid ontbreekt, wordt van het opleggen van een maatregel afgezien.18 Van het opleggen van een maatregel kan voorts wordt afgezien, wanneer daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.19 Dringende redenen kunnen niet bestaan uit factoren die te maken hebben met de oorzaak en de mate van verwijtbaarheid van de werkloosheid.20 Gekeken wordt slechts naar de onaanvaardbaarheid van de gevolgen van de maatregel voor betrokkene.21 Tot slot wordt geen maatregel opgelegd wanneer voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete wordt opgelegd.22 In het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten zijn bepalingen opgenomen inzake de hoogte en duur van de maatregel in het concrete geval.23
Onder omstandigheden kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.24 Dat kan in twee gevallen. In de eerste plaats kan een waarschuwing worden gegeven wanneer het niet tijdig nakomen van de informatieverplichting van art. 25 WW, er niet toe heeft geleid dat de WW-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. In de tweede plaats kan worden volstaan met een waarschuwing wanneer de werknemer zich niet heeft gehouden aan de verplichting om binnen één week na het intreden van de werkloosheid bij het UWV een aanvraag om een uitkering in te dienen, dan wel aan de verplichting om de voorschriften op te volgen die het UWV ten behoeve van een doelmatige controle stelt.25 Een schriftelijke waarschuwing wordt niet gegeven wanneer voor deze overtredingen binnen 2 jaar daarvoor reeds eerder een waarschuwing is gegeven.26