De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.4.3.3.2:7.4.3.3.2 Deelaanbeveling I: nader onderzoek naar de omvang en impact van beroepsaansprakelijkheid
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.4.3.3.2
7.4.3.3.2 Deelaanbeveling I: nader onderzoek naar de omvang en impact van beroepsaansprakelijkheid
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS389205:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De constatering dat aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten rechtsvorm-overstijgend is, wil niet zeggen dat dit per se problematisch c.q. onwenselijk is. De primaire functie van het aansprakelijkheidsrecht is immers de vergoeding van schade. Daarnaast heeft het aansprakelijkheidsrecht een normerende (preventieve) functie (gedragsbeïnvloeding; aansprakelijkheidsregels zijn een aanmoediging om zorgvuldig te zijn). Tegelijkertijd dient er wel een balans te zijn tussen enerzijds de verschillende functies van het aansprakelijkheidsrecht en anderzijds het goed kunnen functioneren van een beroepsbeoefenaar; de functies van het aansprakelijkheidsrecht moeten niet ‘te ver doorslaan’. De vraag is namelijk: waar ligt de grens? Bij welke omvang van aansprakelijkheid is het voor een beroepsbeoefenaar niet meer mogelijk om zijn beroep in alle redelijkheid en onafhankelijkheid te kunnen uitoefenen? Zoals in hoofdstuk 3 al aan de orde kwam, vervullen beroepsbeoefenaren in veel gevallen immers een voor de samenleving noodzakelijke functie, terwijl het tegelijkertijd ondenkbaar is dat deze functie wordt vervuld zonder dat er (menselijke) fouten worden gemaakt. Daarbij komt dat er voor een aantal beroepsgroepen (notarissen, accountants en medisch specialisten) geldt dat zij op grond van een ministerieplicht of eed geen (dan wel zeer beperkte) mogelijkheid hebben om het verlenen van hun diensten te weigeren. Deze plicht maakt dat deze beroepsgroepen een keuze moeten maken die feitelijk geen keuze is. Als ze hun diensten (niet) mogen verlenen, moeten ze die ook (niet) verlenen. Met andere woorden: deze beroepsgroepen kunnen er niet voor kiezen om risico-avers te handelen en daarmee lopen ze meer risico en verdienen ze wellicht ook meer bescherming. Als de samenleving het immers belangrijk vindt dat deze diensten op verplichtende wijze verleend moeten worden, loopt men het risico dat – vanwege het feit dat het risico op persoonlijke aansprakelijkheid (voor eigen beroepsfouten) niet beperkt kan worden – steeds minder mensen bereid zijn een dergelijk beroep uit te oefenen of buitenproportioneel voorzichtig zijn of worden bij het verlenen van hun diensten.
De vraag naar de wenselijkheid van (enige) beperking van beroepsaansprakelijkheid, zoals die in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw al eens uitgebreid aan de orde is geweest,1 stond (echter) niet centraal in dit onderzoek. De bijdrage die met dit onderzoek wél geleverd is in dit kader, is dat de tendens van het gebruik van andere rechtsvormen laat zien dat er sprake is van een probleem dat in ieder geval voor een deel ziet op (beroeps)aansprakelijkheid. De precieze omvang en impact van dit probleem dient echter nader onderzocht te worden.2 Is deze tendens slechts gebaseerd op de vrees voor aansprakelijkheid voor fouten van ‘compagnons’? Of worden de BV, NV en coöperatie ook als rechtsvorm gekozen met het doel om persoonlijke aansprakelijkheid voor eigen fouten af te wenden? Een van de belangrijkste vragen die in een dergelijk onderzoek aan de orde dient te komen is of er inderdaad een toename van aansprakelijkheidsstelling voor eigen beroepsfouten is en zo ja, of dit door beroepsbeoefenaren als een probleem ervaren wordt c.q. welke invloed dit heeft op hun handelen. Dit onderzoek zou dan met name gericht moeten zijn op de factoren die het probleem zouden kunnen versterken, zoals een ministerieplicht of eed respectievelijk de omvang van de aansprakelijkheidsrisico’s voor de verschillende beroepsgroepen. Als vervolgens blijkt dat er sprake is van een toename in (en de hoogte van) de aansprakelijkheidsstelling van beroepsbeoefenaren en dit inderdaad gezien wordt als een probleem, is een belangrijke vervolgvraag wat een passende oplossing is. Daarbij moet men zich uiteraard ook afvragen of een beperking van de aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten überhaupt wenselijk is.