Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/5.5.3
5.5.3 Instructiebevoegdheid van de algemene vergadering
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS387748:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de instructiebevoegdheid ook Bartman & De Groot 2012.
Oranje 2008 (1), p. 26, merkt op dat de autonomie van het bestuur moet worden gerelativeerd. Zo kan de algemene vergadering ruimschoots van haar instructiebevoegdheid gebruik maken. In dat geval is het bestuur slechts uitvoerend. Daarnaast kan de algemene vergadering het bestuur ontslaan. Zie onder meer HR 21 december 2001, LJN AD4499, NJ 2005, 96, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, JOR 2002, 38, m.nt. Faber en Bartman (SOBI/Hurks).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 10 (MvT). Zie ook Rapport van de Expertgroep, p. 3. Oranje is bijvoorbeeld voorstander van een aandeelhouderbestuurder BV, zie Oranje 2008 (1), p. 24-33 en Oranje 2008 (2), p. 7.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 90 (MvT). Zie over concernverhoudingen bijvoorbeeld Van der Korst 2010 en M. Olaerts, ‘Perikelen in concernverhoudingen’, TvOB 2011-1, p. 6-13, met name par. 2 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie en literatuur.
Zie Rapport van de Expertgroep, p. 34-36, met een overzicht van de jurisprudentie en de opvattingen in de literatuur. Van der Korst 2010, p. 273, is kritisch over de aanbevelingen van de Expertgroep. Hij stelt dat sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op de bestuursautonomie, omdat aan het bestuur zijn basale bevoegdheid om beleid en strategie van de vennootschap te bepalen wordt ontrokken.
De instructiebevoegdheid van de algemene vergadering vindt haar grondslag in art. 2:239 lid 4 BW.1 Dat artikellid stelt dat de statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap. Het bestuur is gehouden de aanwijzingen op te volgen, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Hieruit volgt dat de dualistische structuur in de flex-BV is gehandhaafd en dat de algemene vergadering een instructiebevoegdheid kan hebben. Tegelijkertijd is de instructiebevoegdheid (niettemin) een inbreuk op de dualistische structuur en de autonomie van het bestuur.2 De wetgever heeft overigens de aandeelhouderbestuurde BV afgewezen, omdat dat zich niet goed verhoudt met het uitgangspunt dat het bestuur van de vennootschap het vennootschappelijk belang moet dienen.3 Dat laatste brengt de wettekst ook tot uitdrukking. De parlementaire geschiedenis stelt: “Het onderscheid tussen algemene en concrete aanwijzingen komt te vervallen. Het bestuur is gehouden om de aanwijzingen op te volgen, tenzij dat in strijd is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Het bestuur mag derhalve de instructies van een ander orgaan niet slaafs navolgen, maar dient een zelfstandige belangenafweging uit te voeren. In concernverhoudingen betekent dit dat het bestuur van de dochter de instructies van de moeder als aandeelhouder dient te toetsen aan het belang van de dochtervennootschap. Op advies van de expertgroep is in de wettelijke bepaling expliciet tot uitdrukking gebracht dat het bestuur niet gehouden is de aanwijzingen op te volgen indien dat in strijd is met het belang van de vennootschap. Volgens de expertgroep sluit dit aan bij de praktijk, met name in situaties waarin aan buitenlandseaandeelhouders duidelijkheid moet worden verschaft omtrent de reikwijdte van het instructierecht. De commissie vennootschapsrecht heeft terecht opgemerkt dat het vanzelf spreekt dat een instructierecht wordt begrensd door het vennootschappelijk belang. Ik hecht er evenwel aan om ter wille van de duidelijkheid in de praktijk de norm van het vennootschappelijk belang bij het instructierecht in de wet vast te leggen.”4 De wetgever heeft daarmee de door de Expertgroep gesignaleerde knelpunten en kanttekeningen ten aanzien van de regeling onder het oude recht erkend en de aanbevelingen van de Expertgroep overgenomen.5
De stemrechtloze aandeelhouder kan in de algemene vergadering wegens het ontbreken van zijn stemrecht geen directe invloed uitoefenen, waaronder besluiten in de algemene vergadering met betrekking tot de instructiebevoegdheid. Wel kan de stemrechtloze aandeelhouder op grond van zijn vergader- en spreekrecht de besluitvorming tijdens de algemene vergadering (proberen te) beïnvloeden. In voorkomend geval zal het bestuur van de vennootschap ook het belang van de stemrechtloze aandeelhouder in haar afweging tot besluitvorming moeten betrekken. Bovendien zullen de aandeelhouders met stemrecht bij de besluitvorming in de algemene vergadering in het kader van de instructiebevoegdheid ook rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van de stemrechtloze aandeelhouder en andere kapitaalverschaffers zonder stemrecht. Het eigen belang van de aandeelhouder is immers niet absoluut. In paragraaf 5.6 ga ik op dit laatste thema nader in.
Met andere woorden: de grens van de instructiebevoegdheid is het vennootschappelijke belang. Het bestuur van de vennootschap is niet per definitie gehouden de instructies van de algemene vergadering op te volgen. In paragraaf 5.4 schetste ik dat het vennootschappelijk belang ruimer en anders is dan alleen het (eigen) belang van de aandeelhouders van de vennootschap. Niettemin spelen bij het vennootschappelijke belang ook de belangen van de aandeelhouders een rol, waaronder de belangen van de stemrechtloze aandeelhouders.