Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/130
130 Inning van een vordering tot levering van een roerende zaak
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 30-07-2025
- Datum
30-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD19231:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 430-431 en Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6) p. 1258-1259, alsmede Asser/Kortmann/De Leede/Thunnissen 5-III 1994, nr. 153 en Bartels 2004, p. 54-57.
Art. 3:110 BW kent een ruim toepassingsbereik; zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 430 en vgl. Bartels 2004, p. 44-45 en 57. Uit de wetsgeschiedenis blijkt enerzijds dat de wetgever het oog heeft gehad op een tussen de houder en de beoogd rechthebbende bestaande overeenkomst, zoals een huurovereenkomst of een overeenkomst van bruikleen, of een ten behoeve van de houder op het te leveren goed gevestigd beperkt recht, maar blijkt anderzijds dat andere rechtsverhoudingen niet van de toepassing van het artikel zijn uitgesloten.
Zo ook Rank-Berenschot 1997a, p. 242.
Zo ook Rank-Berenschot 1997b, p. 57 en Stein 2006 (Vermogensrecht), art. 3:246, aant. 3.3.
Rb. Leeuwarden 12 mei 2004, JOR 2004/183 en, in hoger beroep daarvan, Hof Leeuwarden 26 oktober 2005, JOR 2005/54 m.nt. S.E. Bartels (Van der Spek q.q./Graphic Lease).
Vgl. art. 3:81 lid 2 aanhef en sub a BW en HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN).
Inning door de pandhouder van een vordering tot levering van een roerende zaak die door bezitsverschaffing kan worden geleverd en verhaal door de pandhouder op de geleverde zaak is weinig problematisch. In art. 3:110 BW is bepaald dat aan iemand die niet de beoogd rechthebbende is door bezitsverschaffing een roerende zaak kan worden geleverd waarvan een ander de rechthebbende wordt, als tussen hen beiden een rechtsverhouding bestaat die daartoe strekt. Degene aan wie de zaak wordt geleverd gaat deze in dat geval houden voor de rechthebbende. Zo een rechtsverhouding kan bijvoorbeeld bestaan tussen een lastgever en een lasthebber.1
Hoewel niet duidelijk is of art. 3:110 BW ook voor die situatie geschreven is, bestaat zo een rechtsverhouding ook tussen de pandgever en de pandhouder in geval van een pandrecht op een vordering tot levering van een roerende zaak. Het artikel kan mijns inziens zonder bezwaar worden toegepast op de inning door de pandhouder van een vordering tot levering van een roerende zaak die door bezitsverschaffing kan worden geleverd.2 Zou art. 3:110 BW niet van toepassing zijn, dan biedt art. 3:246 BW, in het bijzonder lid 5, de wettelijke basis voor een levering aan de pandhouder waardoor de pandgever rechthebbende van het geleverde goed wordt.
Door de levering van de zaak aan de pandhouder wordt de pandgever eigenaar en bezitter van de zaak, gaat de pandhouder de zaak voor de pandgever houden en rust op de zaak ex art. 3:246 lid 5 BW een substitutiepandrecht van de pandhouder.3 Is de schuldenaar in verzuim dan kan de pandhouder de aan hem geleverde roerende zaak waarop hij een vuistpand heeft volgens de daarvoor geldende regels (art. 3:248-251 BW) te gelde maken en zich uit de opbrengst voldoen.4
In de jurisprudentie vond ik één voorbeeld van de afwikkeling van een pandrecht op een vordering tot levering.5 In dit geval had de koper van een roerende zaak zijn rechten uit de koopovereenkomst, waaronder de vordering tot levering van de zaak, verpand aan een financier. De koper inde de vordering tot levering. Volgens de rechtbank is daardoor ex art. 3:246 lid 5 BW een substitutiepandrecht van de financier op de roerende zaak komen te rusten. Dit oordeel zou juist zijn, als het pandrecht aan de verkoper was medegedeeld, de pandhouder als gevolg van die mededeling bevoegd was de vordering tot levering te innen en de koper (de pandgever) de vordering met machtiging van de kantonrechter ex art. 3:246 lid 5 BW had geïnd. Zulks is door de rechtbank niet vastgesteld, zodat het oordeel van de rechtbank op grond van de door haar vastgestelde feiten onjuist is. Was het pandrecht niet aan de verkoper medegedeeld dan was de pandgever bevoegd de vordering tot levering te innen en is het pandrecht tenietgegaan zonder dat een substitutiepandrecht op de geleverde zaak is ontstaan.6 In hoger beroep legde het hof de pandakte aldus uit, dat op de te leveren roerende zaak bij voorbaat een pandrecht was gevestigd. Het hof kwam daardoor niet toe aan overwegingen over de afwikkeling van het pandrecht op de vordering tot levering van de zaak.