Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.3.1:III.5.3.1 IJkpunt intrinsieke eer
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.3.1
III.5.3.1 IJkpunt intrinsieke eer
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456759:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R. Johnson, ‘Kant's Moral Philosophy’, in: E.N. Zalta (ed.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2013 Edition), http://plato.stanford.edu/entries/kant-moral/.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 11.
A. Margalit (vertaald door J.W. Reitsma), De fatsoenlijke samenleving, Amsterdam: Van Gennep 2001, p. 11.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur en de rechtspraak van het EHRM en HRC neemt waardigheid-als-eer een prominente plek in. Volgens Johnson wordt een van de formuleringen van Kants categorische imperatief, de humaniteitsformule, vaak gezien als introductie van ‘the idea of “respect” for persons’.1 Corstens & Borgers noemen ‘redelijk, fatsoenlijk, beschaafd’ als normen voor de toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden.2 Margalit stelt dat burgers in een fatsoenlijke samenleving door overheidsfunctionarissen niet worden vernederd.3 In essentie gaat het dan om een verbod op het aantasten van het eergevoel van de verdachte. Vernederende behandelingen tasten het eergevoel, dat bestaat uit het respect voor en de waarde van het zelf, aan. De menselijke waardigheid als non-vernederingsclausule levert een onthoudingsplicht op. Wat de verdachte ook heeft gedaan, hoe onverschillig hij zich ook opstelt ten opzichte van het slachtoffer, hoe belangrijk bewijsvergaring ook is, de verdachte is en blijft een mens met capaciteiten. Op bepaalde manieren mogen vrijheidsrechten van de verdachte worden beperkt, maar de verdachte mag nooit worden vernederd. In de rechtspraak van het EHRM en het HRC waarin de menselijke waardigheid wordt aangehaald staat bijna altijd de non-vernederingsclausule centraal. Het gaat dan vrijwel altijd om klachten over schendingen van artikel 3 EVRM en artikelen 7 en 10 IVBPR. De vraag die dan wordt gesteld, is of de burger wordt vernederd door overheidshandelingen die bij hem gevoelens van onder andere angst en/of inferioriteit oproepen (waarbij een minimum level of severity moet worden bereikt). Bepaalde elementen van het mens-zijn worden daarmee grof geschaad zodat niet kan worden gesproken van een menswaardige behandeling. Strafrechtfunctionarissen moeten zich daarom de vraag stellen:
‘hoe zouden zij in die positie verkerende (als verdachte, DvT) hebben geoordeeld over wat zij als strafrechtfunctionarissen nu doen? Kan dit optreden de toets van de dan te geven kritiek doorstaan?’4
Voor dit onderzoek houdt dat in het algemeen in dat door de toepassing van een opsporingsmethode de verdachte niet mag worden vernederd. Dit is de absolute ondergrens voor de behandeling van de verdachte door de overheid. Het is niet mogelijk om een uitputtende opsomming te geven van gedragingen die de verdachte vernederen. Of een gedraging, in dit geval de toepassing van een opsporingsmethode, van een strafrechtfunctionaris de verdachte vernedert, hangt van veel factoren af. Daarbij staat in ieder geval voorop dat een bepaalde ondergrens van ernst moet worden bereikt. Met andere woorden, het gevolg – het gevoel van vernedering – moet (enigszins) los van de subjectieve beleving van de vernederde persoon worden beoordeeld.
Ten eerste levert onnodig geweld tegen de verdachte die zich in een afhankelijke en/of zwakke positie ten opzichte van de overheid bevindt een vernederende behandeling op. Onnodig geweld levert (in de meeste gevallen en bij de meeste personen) gevoelens van angst op omdat niet valt in te schatten hoe ver de functionarissen zullen gaan en ook de gronden waarom de verdachte zo wordt behandeld zijn voor hem niet te begrijpen. Op basis van dezelfde argumenten zal de verdachte zich waarschijnlijk ook inferieur voelen. Bij onnodig geweld wordt namelijk volledig voorbij gegaan aan het feit dat de verdachte mens geen (of ten minste niet enkel een) object is.
Ten tweede kunnen andere vormen van dwang, bijvoorbeeld psychische dwang, ook een vernederende behandeling opleveren. Het gaat dan niet om de inbreuk op de lichamelijke integriteit waardoor de intrinsieke eer wordt aangetast, maar om een inbreuk op de geestelijke integriteit. Onder andere slaapdeprivatie en bedreiging met geweld (tegen anderen, bijvoorbeeld familieleden) kunnen ervoor zorgen dat de mentale, psychische weerbaarheid wordt gebroken. Het juist bij deze categorie van dwang dat het onderscheid tussen waardigheid-als-eer en waardigheid-als-autonomie moeilijk te maken is. Het breken van de weerbaarheid met psychische dwang zal hoogstwaarschijnlijk een bepaald doel dienen, bijvoorbeeld het verkrijgen van een verklaring of andere informatie. De weerbaarheid wordt dus gebroken zodat de verdachte niet meer onafhankelijk kan bepalen. Het zodanig onder druk zetten van de mens zodat geen andere uitweg meer mogelijk is dan toe te geven aan de autoriteiten heeft waarschijnlijk grote invloed op hoe een persoon zichzelf ziet en waardeert. Hij is immers bezweken onder de druk.
Ten derde kunnen niet-gewelddadige fysieke handelingen als vernederend worden beschouwd. Het gaat dan om gedragingen die als zodanig niet gewelddadig zijn (zoals het scheren van hoofdhaar zonder dat daarbij enige vorm van letsel wordt veroorzaakt of het laten uitkleden voor ambtenaren van een ander geslacht) en waarmee ook geen doel (zoals het verkrijgen van informatie) wordt gediend. Handelingen die onder deze categorie vallen zijn onder andere gedragingen die de verdachte brandmerken, waarbij de verdachte onnodige stigmatiserende handelingen moet ondergaan, zoals het dragen van gevangeniskleding en handboeien in het openbaar, de terechtzitting bijwonen in een kooi of gemuilkorfd.
Kortom, de toepassing van opsporingsmethoden in overeenstemming met het recht op respect voor de menselijke waardigheid als non-vernederingsclausule die de intrinsieke eer van de verdachte beschermt, houdt in dat de verdachte (1) geen onnodig geweld wordt aangedaan; (2) geen andere vorm van dwang wordt gebruikt (om zijn mentale weerbaarheid te breken) en; (3) geen niet-gewelddadige fysieke handelingen zonder legitiem doel worden gebruikt.