Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.5.1.4
II.7.5.1.4 Vergoeding
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492987:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 5 februari 1981, zaak 154/80, BNB 1981/232 (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats; m.nt. C.P. Tuk).
De lage en zelfs negatieve rentes anno 2016 beschouw ik als een ongewone omstandigheid.
HvJ 14 juli 1998, zaak C-172/96, V-N 1998/57.18 (First National Bank of Chicago).
In theorie zou nog een alternatief kunnen zijn de vergoeding gelijk te stellen aan het bedrag dat de koper meer int dan hij voor de vorderingen heeft betaald. Dit heeft echter weer als nadeel dat de inning soms jaren in beslag kan nemen. Om nog te kunnen factureren en voorbelasting te kunnen aftrekken, zal de verkoper van de vorderingen gedurende al die tijd moeten blijven bestaan.
Op basis van het arrest in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring kan de gedachte postvatten dat de vergoeding voor het overnemen van schuldvorderingen zonder recht van regres gelijk is aan het verschil tussen de nominale waarde van vorderingen en de koopprijs. Uiteraard geldt dit alleen als de overname een dienst onder bezwarende titel is. Bedoelde gedachte komt, onder meer, naar voren in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 5 september 2003.1 In het arrest in de zaak GFKL Financial Services heeft het Hof van Justitie naar mijn mening echter verduidelijkt dat de vergoeding gelijk is aan het door partijen daarvoor afgesproken bedrag. Het Hof merkt namelijk op dat het verschil tussen de nominale waarde en de koopprijs in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring enkel de vergoeding voor dienstverlening vormde, omdat het gelijk was aan de overeengekomen factoringcommissie en delcredereprovisie. Die benadering doet ook het meeste recht aan het subjectieve vergoedingsbegrip dat de omzetbelasting kent.2 De vergoeding berekenen aan de hand van het verschil tussen nominale waarde en koopprijs zou een ongerijmde objectivering van het vergoedingsbegrip teweegbrengen. Dit is het gevolg van de omstandigheid dat de nominale waarde wel de nominale betalingsverplichting van de debiteur weergeeft, maar uiteindelijk slechts één van de factoren is die bepalen wat een vordering waard is. Zo is een vordering van één euro nominaal die direct opeisbaar is, onder normale omstandigheden meer waard dan dezelfde vordering die pas over een jaar opeisbaar is.3 Ook het risico op wanbetaling speelt een rol, alsmede de eventuele mogelijkheid om in dat geval op de debiteur (wettelijke) rente en incassokosten te verhalen. Vanwege die mogelijkheid kan een individuele vordering zelfs meer dan de nominale waarde waard zijn. Te denken valt aan een vordering op een zeer kredietwaardige debiteur die door laksheid in verzuim is geraakt, maar vrijwel zeker zal betalen inclusief incassokosten.
De wijze van vaststelling van een vergoeding in de zaak First National Bank ofChicago had verder in theorie naar analogie kunnen worden toegepast bij het kopen van vorderingen.4 Dat zou betekenen dat het in een bepaalde periode behaalde brutoresultaat op kooptransacties de vergoeding vormt voor dienstverlening van de factor. A-G Jääskinen heeft die mogelijkheid verkend in zijn conclusie in de zaak GFKL Financial Services, maar het Hof van Justitie is daar niet op ingegaan. In de praktijk zou het ook op bezwaren stuiten. Een beperking van de benadering die het Hof van Justitie in de zaak First NationalBank of Chicago heeft gekozen, is namelijk dat het op transactieniveau vaststellen van vergoedingen niet goed mogelijk is. Dat is wellicht een overkomelijk bezwaar bij vrijgestelde dienstverlening, zoals het wisselen van geld, maar niet bij belaste dienstverlening, zoals factoringdiensten. Dan moet immers op transactiebasis een vergoeding in rekening kunnen worden gebracht met het oog op het uitoefenen van het recht op aftrek van voorbelasting door de afnemer.5