Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/143:143 Voorbeelden uit de jurisprudentie
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/143
143 Voorbeelden uit de jurisprudentie
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 28-07-2025
- Datum
28-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD19148:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Wiarda 1937, p. 363.
HR 12 januari 1990, NJ 1990, 766 m.nt. WMK (Staat/Appels).
HR 7 september 1990, NJ 1991, 52 m.nt. Ma.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een abstract criterium aan de hand waarvan voor alle gevallen kan worden bepaald of de persoon van de schuldeiser een wezenskenmerk van de vordering is, is er mijns inziens niet.1 Voorbeelden, bijvoorbeeld uit de jurisprudentie, zijn er wel. Illustratief is het arrest Staat/Appels.2 De Staat had met Appels een kredietovereenkomst gesloten. Het krediet was Appels verstrekt in het kader van de steunverlening door de Staat aan noodlijdende ondernemingen. De Staat wilde de vorderingen uit hoofde van de kredietovereenkomst overdragen aan een private partij. De Hoge Raad sanctioneerde het oordeel van het hof dat de aard van de overeenkomst zich tegen overdracht van de vorderingen uit die overeenkomst aan een private persoon verzet.
Eén overweging van het hof is dat de Staat met de kredietovereenkomst publieke belangen nastreefde, zoals de bevordering van de werkgelegenheid. Deze publiekrechtelijke achtergrond was een overheersend kenmerk van de overeenkomst tussen de Staat en Appels. Als gevolg hiervan zou de Staat zich als schuldeiser jegens Appels waarschijnlijk (veel) coulanter opstellen dan een private schuldeiser. Dit is een zo wezenlijk onderdeel van de overeenkomst en daarmee van de vorderingen van de Staat op Appels dat, indien Appels met een private schuldeiser te maken zou krijgen, niet meer van dezelfde vorderingen gesproken zou kunnen worden, zo begrijp ik het hof. Dit zou niet wezenlijk anders liggen indien Appels niet met een cessionaris, maar met een inningsbevoegde pandhouder zou worden geconfronteerd.
Een ander voorbeeld is het arrest Den Toom/De Kreek q.q.3 In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de aard van de vordering op een falende bestuurder ex art. 2:248 BW zich tegen overdracht ervan verzet, nu deze vordering door de wetgever exclusief aan de curator van de vennootschap is toegekend, deze vordering een vergaande aansprakelijkheid van de bestuurder inhoudt en de bestuurder in het toezicht op de curator door de rechter-commissaris bij het geldend maken van deze vordering enige waarborg vindt. Ook dit ligt niet wezenlijk anders indien geen sprake zou zijn van cessie maar van verpanding. Waar het in deze beide arresten om gaat, is dat de vordering zich niet verdraagt met een wisseling in de persoon die rechthebbende van de vordering is casu quo bevoegd is om deze te innen.