Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.4.2
III.5.4.2 IJkpunt autonomie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450808:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
P.M. Taylor, Freedom of Religion. UN and European Human Rights Law and Practice, Cambridge: Cambridge University Press 2005, p. 198-200 en P. Petkoff, ‘Forum Internum and Forum Externum in Canon Law and Public International Law with a Particular Reference to the Jurisprudence of the European Court of Human Rights’, Religion and HumanRights 2012, 3, p. 183 en E. Brems, ‘Diversity and European Human Rights: RewritingJudgments of the ECHR’, Cambridge: Cambridge University Press 2013, p. 178. Zie ook ECHR 13 maart 1986, appl. no. 11308/84 (Vereniging Rechtswinkels Utrecht vs. Nederland) en EHRM 3 december 2009, appl. no. 40010/04 (Skugar en anderen vs. Rusland) en EHRM 16 oktober 2012, appl. no. 2158/12, r.o. 18 (Schilder vs. Nederland).
EHRM 11 januari 2007, appl. nos. 55066/00 & 55638/00 (Russische Conservatieve partij voor ondernemers vs. Rusland) en EHRM 8 juli 2008, appl. no. 9103/03 (Georgische Arbeidspartij vs. Georgië).
J.C. Bublitz & R. Merkel, ‘Crimes against Minds: On Mental Manipulations, Harms and a Human Right to Mental Self-Determination’, Crim Law and Philos 2014, 1, p. 73.
R.S. Dillon, ‘Respect’, in: E.N. Zalta (ed.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2015 Edition), http://plato.stanford.edu/archives/fall2015/entries/respect/, laatst geraadpleegd op 25 augustus 2015.
Zoals hierboven aan de hand van het artikel van Bublitz en Merkel al werd opgemerkt, is de brede bescherming van het forum internum tegen cognitieve manipulatie nieuw. In het verleden werd deze bescherming enkel in verband gebracht met de vrijheid van geloof en religie.1 In de rechtspraak van het EHRM wordt het verder nog gekoppeld aan de vrijheid van verkiezingen (artikel 3 Eerste Protocol).2 Het lijkt moeilijk om een algemeen verbod op manipulatie, zoals het laten herinneren van informatie, van het forum internum te aanvaarden. De enige mogelijkheid waarin dit kan worden gehandhaafd is een volledig stimulusvrije samenleving. Reclameboodschappen gebruiken bijvoorbeeld ook verschillende manipulatietechnieken om producten aan de man te brengen. Zo worden door goede doelen emotionele reacties uitgelokt en wordt door bedrijven die priming gebruiken herinneringen aan het product opgewekt. Het verschil met (neuro)geheugendetectie is dat door subtiele, sublimale, externe manipulatie de wil mogelijk wordt gevormd, maar de ‘gemanipuleerde’ persoon heeft nog steeds de vrije keuze Coca Cola boven Pepsi te verkiezen. Bij (neuro)geheugendetectie wordt de wil ook gemanipuleerd. Door het tonen van daderkennis wordt de verdachte gedwongen herinneringen op te halen. Anders dan bij reclame-manipulatie, bezit de verdachte geen keuzevrijheid. De verdachte moet herinneren en daardoor kennis openbaren die hij op geen andere wijze heeft geopenbaard.
Hierbij wordt duidelijk dat het verbod op vernederen en de bevordering van autonome keuzes niet eenvoudig uit elkaar is te houden, want juist door iemand te vernederen wordt zijn autonomie beperkt. Deze onderdelen van het recht op respect voor menselijke waardigheid, respectievelijk eer en autonomie, kunnen (of moeten) samen worden beoordeeld. Het onderdeel autonomie valt uiteen in twee onderdelen: een onafhankelijkheids- en agencyconcept. Specifiek voor het strafprocesrecht en in het bijzonder voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de toepassing van opsporingsmethoden is vooral het onafhankelijkheidsconcept van belang. Het gaat daarbij om de vraag of de methode de onafhankelijke keuze schendt om een bepaalde proceshouding aan te nemen en daardoor informatie wel of niet in de procedure te brengen. Deze keuze dient de verdachte zelf te kunnen maken en, op grond van het agencyconcept, om voor hem moverende redenen.
Dan rest de vraag of het opwekken van herinneringen de onafhankelijke keuze om te herinneren en herinneringen te openbaren, en daarmee waardigheid-als-autonomie, schendt. Het is natuurlijk beangstigend dat anderen de eigen keuze om informatie te openbaren volledig kunnen omzeilen door iemand gedwongen woorden te laten zien en zijn hersenactiviteit te meten. Dit geeft een gevoel van inferioriteit – omdat de eigen beslissing ondergeschikt wordt gemaakt – en van uitsluiting – omdat de persoon zelf geen beslissing kan nemen.
‘It is the sinister side of neuroscientific techniques to bypass the first-person perspective and to treat the other as a physical object, reducing them to an object of nature, treating them according to natural laws and negating their control over their own minds.’3
Hierbij is het onderscheid, dat in het licht van het nemo-teneturbeginsel wordt gemaakt, tussen afhankelijk en onafhankelijk van de wil bestaand materiaal mijns inziens belangrijk. Bloed, haar, documenten, een wapen of andere goederen bestaan onafhankelijk van de wil. Een persoon heeft enkel met zijn gedachte geen controle over het bestaan van die dingen, hierbij doet de wil(scontrole) niet ter zake. De mens heeft wel controle over de verspreiding van persoonlijke informatie die zich in de hersenen bevindt en die dus niet op een andere wijze is geopenbaard. Met (neuro)geheugendetectie wordt de wil echter volledig omzeild, de persoon is een harde schijf en zijn herinneringen kunnen worden blootgelegd. In welke mate kan iemand nog respect voor zichzelf hebben, zichzelf en zijn leven intrinsieke waarde4 toekennen als een ander persoon bepaalt welke herinneringen ik moet delen? Mijns inziens is het omzeilen van de wil van een persoon omtrent het delen van persoonlijke herinneringen een inferieure, uitsluitende en (daardoor) vernederende behandeling. Is de kern van een leven in de zin van waardigheid niet dat een persoon zelf zijn beslissingen neemt? Ik meen van wel.
Daarmee wordt namelijk zijn rationaliteit volledig ‘uitgeschakeld’, waarmee ik bedoel dat hij wordt gedwongen bewijs te produceren dat niet op een andere wijze is geopenbaard. Het gaat dus om cognitieve informatie en niet om technische informatie of biologisch materiaal. Bij cognitieve informatie gaat het om persoonlijke, van de wil afhankelijke herinneringen die nu in het strafprocesrecht enkel rechtmatig kunnen worden geopenbaard en verkregen als de verdachte daartoe zelfstandig en persoonlijk besluit. Maar wat hij zich onafhankelijk cognitief herinnert, doet er niet toe bij de toepassing van (neuro)geheugendetectie. Evenals de keuzevrijheid om niet geopenbaarde feiten niet willen delen met anderen. Hij is natuurlijk nog steeds een mens maar wordt behandeld als object met daderkennis die de autoriteiten willen bemachtigen en daarvoor dient hij herinneringen op te halen. Dus de heeft niet verdachte (met een aan voorwaardelijk opzet gelijke redenering) willens en wetens op de koop toegenomen dat de autoriteiten informatie bemachtigen die hij vrijwillig per e-mail of telecommunicatie met anderen deelt. Hiermee wordt het bij niet geopenbaarde informatie onmogelijk dat de verdachte zelfstandig beslist om zijn verhaal met de buitenwereld op een door hem gekozen moment en wijze te delen.
Kortom, zijn rationaliteit volledig uitschakelen is een aantasting van het mens-zijn en een schending van intrinsieke eer die elke mens in gelijke mate toekomt. Daarnaast kan hij geen zelfstandige en persoonlijke beslissing nemen met betrekking tot het delen van zijn, niet-anders geopenbaarde, verhaal. Dat is mensonwaardig.