De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.3.2:7.3.2 Keuze afhankelijk van specifieke wensen en omstandigheden van beroepsbeoefenaren
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.3.2
7.3.2 Keuze afhankelijk van specifieke wensen en omstandigheden van beroepsbeoefenaren
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383137:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld zichtbaar in de verschuiving in het gebruik van de maatschap naar rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid (o.a. naar aanleiding van het Wetsvoorstel titel 7.13 (zie hoofdstuk 1)).
Net als dit overigens geldt voor elke andere persoon die een onrechtmatige daad begaat. Beroepsbeoefenaren lopen, zoals uit dit onderzoek blijkt, door de aard van hun werkzaamheden (en het feit dat zij deze werkzaamheden soms niet mogen weigeren) echter een groter risico op deze vorm van aansprakelijkheid.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu geconcludeerd is dat dé optimale rechtsvorm voor samenwerkende beroepsbeoefenaren niet bestaat, is een belangrijke vervolgconclusie dat het antwoord op de vraag welke rechtsvorm (het meest) optimaal is voor de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren – naar huidig recht – afhankelijk is van het antwoord op de vraag aan welke keuzefactor prioriteit wordt gegeven (zie figuur 7.1). Is dat de factor (beperking van) aansprakelijkheid, dan geniet een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid in beginsel een lichte voorkeur. Wanneer er geen tot nauwelijks kapitaal vereist is, ligt de keuze voor de coöperatie of de BV het meest voor de hand. Ook bij het gebruik van de maatschap is het echter mogelijk om, door middel van aanvullende constructies (het gebruik van een praktijkvennootschap), dezelfde mate van aansprakelijkheidsbeperking te bereiken. Zoals in paragraaf 7.2.1 al aan de orde kwam, is het verschil in aansprakelijkheid tussen de rechtsvormen hierdoor in feite marginaal. Uit dit onderzoek komt naar voren dat bij alle rechtsvormen een aanzienlijk risico op beroepsaansprakelijkheid bestaat en – ongeacht de rechtsvorm – blijft bestaan. Het is dan ook opvallend dat deze factor, naar huidig recht, zo’n bepalende rol lijkt te spelen bij rechtsvormkeuze:1 er bestaat immers geen ‘veilige haven’ voor de persoonlijke aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.2 Deze aansprakelijkheidsproblematiek bestaat onafhankelijk van de rechtsvorm (is rechtsvorm-neutraal); het is een universeel, ‘persoonlijk probleem’ van beroepsbeoefenaren en een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid (waarin veel beroepsbeoefenaren vluchten) biedt in dit kader derhalve schijnzekerheid. Hoewel een dergelijke rechtsvorm uiteraard in beginsel alleen zelf aansprakelijk is voor zijn verbintenissen en de aansprakelijkheid voor fouten van ‘compagnons’ (derhalve direct) wordt beperkt, blijft het risico op persoonlijke aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren voor het schenden van de zorgvuldigheidsnorm op grond van artikel 6:162 BW (en in veel gevallen ook artikel 7:404 BW) ook hier bestaan. Daarnaast bestaat bij de BV, NV en coöperatie – in tegenstelling tot bij de maatschap – bovendien (in beginsel) het (overigens indambare) risico op bestuurdersaansprakelijkheid.
Hiernaast loopt de ontwikkeling in de praktijk dat een toename van aansprakelijkheidsteling wordt ervaren door beroepsbeoefenaren en dergelijke claims steeds hoger worden en slechter te verzekeren zijn. Dit is naar mijn mening geen wenselijke ontwikkeling.
Wanneer omwille van een zo gunstig mogelijke fiscale behandeling de voorkeur aan fiscale transparantie wordt gegeven, is de maatschap (nog altijd) de aangewezen rechtsvorm. Wanneer de primaire behoefte van de samenwerkende beroepsbeoefenaren juist ziet op het (zo veel mogelijk) naar wens kunnen inrichten van de juridische interne organisatiestructuur van de rechtsvorm, dan komen zowel de maatschap als de coöperatie het beste uit de verf.
Bij het bepalen van het antwoord op de vraag welke keuzefactor de doorslag moet geven bij de zoektocht naar een optimale rechtsvorm, spelen dus de meer specifieke wensen/omstandigheden van de samenwerkende beroepsbeoefenaren een belangrijke rol. De omstandigheden die mee kunnen spelen zijn onder andere (niet limitatief):
het doel en de omvang van het samenwerkingsverband (een klein samenwerkingsverband van twee architecten heeft andere behoeften dan een groot internationaal samenwerkingsverband van advocaten, notarissen en fiscalisten);
de behoefte aan kapitaal;
de omvang van de winst;
het soort beroep en de daarmee samenhangende beroepsregels die van toepassing zijn.
Aan de hand van deze omstandigheden kan bij het aangaan van het samenwerkingsverband gekeken worden aan welke keuzefactor men prioriteit geeft (of moet geven) en zo bij welke rechtsvorm(en) men uitkomt. De stroomschema’s in figuur 5.1. en 7.1 kunnen hierbij behulpzaam zijn. Opgemerkt moet worden dat in dit onderzoek van een statische situatie is uitgegaan: het gaat om de situatie (en de wensen en behoeften) bij het aangaan van het samenwerkingsverband. Wanneer de omstandigheden gedurende het bestaan van het samenwerkingsverband veranderen en/of er andere behoeften ontstaan, dient opnieuw te worden gekeken naar de keuzefactoren en welke de doorslag moet geven.
Zowel bij aanvang van de samenwerking als bij veranderende omstandigheden gedurende het bestaan van het samenwerkingsverband dienen er dus, kort gezegd, twee vragen te worden beantwoord om te bepalen wat de meest optimale rechtsvorm is voor het samenwerkingsverband:
Aan welke keuzefactor word prioriteit gegeven en wat is vervolgens de volgorde van de overige factoren?
Welke specifieke omstandigheden en/of wensen spelen er daarnaast mee?