Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/3.6.3
3.6.3 Aansluiting bij de duur van de pensioenverplichtingen
mr. drs. P. Laaper, datum 17-11-2015
- Datum
17-11-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS596394:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
“Technische voorzieningen” zijn het vermogen dat naar verwachting nodig is om alle lopende pensioenverplichtingen te kunnen dekken.
Art. 13, lid 2, Besluit FTK (art. 18, lid 1, sub b, Pensioenrichtlijn).
Sterftetafels geven een overzicht van de leeftijdsverwachtingen van mensen uit verschillende generaties.
Ik doel daarmee op de verkoop van beleggingen zonder dat de opbrengsten worden herbelegd. Deze inkomsten zijn vooral bij grijze en gesloten fondsen van belang.
Dit vooronderstelt overigens dat de gekochte obligaties altijd worden afgelost. In werkelijkheid is er altijd een kredietrisico.
In jargon heet het dat er sprake is van een “duration mismatch”: de looptijd (duration) van de obligaties is korter dan de looptijd van de verplichtingen.
CBb 10 september 2013, JOR 2013/312, m.nt. Kuiper & Voerman (Vereenigde glasfabrieken).
De sponsor wordt vaak ook “bijdragende onderneming” genoemd. Het is de onderneming met wie het (ondernemings)pensioenfonds de uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten. Van “sponsor” wordt veelal gesproken wanneer de onderneming zich heeft verplicht om bij te storten in het vermogen van het pensioenfonds wanneer de dekkingsgraad van het fonds onder een bepaald niveau zakt.
Rb Rotterdam 25 april 2013, JOR 2013/178, m.nt. Voerman & Kuiper (Johnson & Johnson). Er waren overigens meer redenen waarom dit risicovolle beleggingsbeleid niet de goedkeuring van DNB of de rechter kon wegdragen. Het getuigde niet van een beheerste en integere bedrijfsvoering ontbrak (art. 143 Pw), was niet in overeenstemming met een evenwichtige belangenbehartiging (art. 105, lid 2, Pw) en strookte niet met de ratio van de onderbrengingsplicht van art. 23 Pw.
Het is van groot belang dat pensioenfondsen een optimaal risico-rendementsprofiel nastreven. Het zorgt voor een optimale inzet van het pensioenvermogen. Het zou van onbehoorlijk bestuur1 getuigen om de beleggingstheoretische inzichten te negeren.
Prudent beleggen is echter méér dan enkel het gebruik van beleggingstheoretische inzichten. Het belang van de begunstigden ligt er uiteindelijk in dat het pensioenfonds op elk moment voldoende liquide middelen heeft om zijn pensioenverplichtingen na te komen. Het gaat dan niet enkel om het behalen van voldoende rendement om de uitkeringen te verrichten. Het gaat ook om de afstemming van de in- en uitgaande kasstromen van het pensioenfonds. Een van de uitwerkingen van de prudent person-regel is dan ook dat pensioenfondsen verplicht zijn om de waarden die ter dekking van de technische voorzieningen2 worden aangehouden, te beleggen op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen.3
Een pensioenfonds kan vrij eenvoudig de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen vaststellen aan de hand van de leeftijden van zijn begunstigden en sterftetafels.4 Aan de hand van de leeftijden van de begunstigden kan het de start van de pensioenuitkeringen vaststellen; aan de hand van de sterftetafels stelt het het verwachte einde van die uitkeringen vast. Zo ontstaat een beeld van de toekomstige uitgaande kasstromen (voor zover ze samenhangen met reeds aangegane pensioenverplichtingen). Dit beeld kan makkelijk een periode van 70 jaar bestrijken. De inkomende kasstromen worden bepaald door ontvangen pensioenpremies, beleggingsopbrengsten en eventuele desinvesteringen.5
In theorie is het mogelijk om een perfecte aansluiting van in- en uitgaande kasstromen te realiseren. Het pensioenfonds koopt dan vastrentende waarden (obligaties) aan waarvan de opbrengsten en de looptijd ervan exact overeenkomen met de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen.6 In de praktijk zijn er echter eenvoudig te weinig langlopende obligaties op de markten om dit te realiseren. Het pensioenfonds moet dus obligaties aankopen die een looptijd hebben die korter is dan de looptijd van de verplichtingen en die na afloop van de looptijd vervangen met nieuwe obligaties.7
Een perfecte aansluiting is dan ook niet vereist. Waar het om gaat is dat er een voldoende mate van zekerheid is dat op elk moment voldoende liquide middelen beschikbaar zullen zijn om aan de verplichtingen te voldoen. Een pensioenfonds had voor de duur van “de eerstkomende jaren” de onvoorwaardelijke verplichtingen volledig, en de voorwaardelijke verplichtingen voor 80% met de inkomsten uit obligaties afgedekt. Onduidelijk is wat de duur van “de eerstkomende jaren” was, maar in ieder geval betrof de dekking van de verplichtingen een beperkte duur. Voor wat betreft de voorwaardelijke verplichtingen ging de dekking uit obligaties niet verder dan 80%. Voor zover de pensioenverplichtingen niet uit obligaties waren gedekt, moest de “matching” komen uit de rest van de portefeuille. Het fonds had onder meer 13% van zijn portefeuille in goud belegd. Goud levert weliswaar geen vaste kasstromen op, maar is heel snel liquide te maken. Het fonds voldeed aan de eis van “matching”.8
Een ander pensioenfonds dat de pensioenuitkeringen voor de komende twaalf jaren met obligaties had afgedekt, voldeed echter niet aan de matchingseis. Het pensioenfonds in die zaak had zich voor zijn dekkingsgraad (dat iets zegt over het vermogen om ook aan de verplichtingen ná die eerste twaalf jaren te voldoen) afhankelijk gemaakt van de bijstortingsbereidheid van zijn “sponsor”9, die daarvoor een (te) risicovol beleggingsbeleid eiste. Dat bood onvoldoende zekerheid voor de nakoming van de toekomstige pensioenverplichtingen van het fonds. Het moet immers nog maar blijken dat de sponsor te zijner tijd bereid en in staat is om aan zijn bijstortingsverplichting te voldoen.10