Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/8.3
8.3 Het “aandeel in de gehele gemeenschap”
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452057:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 8.2.1.
Paragraaf 3.3.2.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 62, 66; Bartels & Timmerman 2006; Faber 1996, p. 198; Lammers, GS Vermogensrecht, art. 3:191, aant. 2 (online, laatst bijwerkt op 18 december 2013); Van Mourik & Schols 2015, nr. 13, 28; Schoordijk 1983, p. 85; Steneker 2005, p. 97; Timmerman 2009; Wammes 1988, p. 67. Vgl. de noot van H.J. Snijders bij HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0805, NJ 2002/380 (LISV/Grifhorst). Stokkermans 2015, 2.2 meent daarentegen dat het aandeel in de gehele gemeenschap als zodanig geleverd kan worden.
Met toestemming van de overige deelgenoten kan dit wel, zie art. 3:190 lid 1 BW.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 62; Parl. Gesch. Boek 3, p. 624. De ratio achter art. 3:190 lid 1 BW is dat de deelgenoot niet zonder toestemming van de ander(en) de algemeenheid van goederen in een aantal kleinere gemeenschappen op kan lossen, waardoor de deelgenoten ten aanzien van vele goederen tegenover vele diverse medegerechtigden zouden komen te staan, Parl. Gesch. Boek 3, p. 624.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 62, 66; Bartels & Timmerman 2006; Timmerman 2009; Wammes 1988, p. 67. Anders: Stokkermans 2015, 2.2. Voldoende is dat de hoofdbestanddelen worden geleverd, zie paragraaf 3.3.2.
Zie paragraaf 8.1 en 1.1.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 578.
Aldus ook Bartels & Timmerman 2006; zie voorts Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 38, 39. Anders: Schoordijk 1983, p. 8; Wammes 1988, p. 9-11.
Parl. Gesch. Wijziging Rv (Inv. 3, 5 en 6), p. 85.
Aldus ook Van Hemel 1998, p. 374. Vgl. Van Mourik & Schols 2015, nr. 35.
Van Hemel 1998, p. 374; Timmerman 2009. Vgl. de noot van H.J. Snijders bij HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0805, NJ 2002/380 (LISV/Grifhorst).
Meer uitgebreid hierover Timmerman 2009.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 67. Van Mierlo, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 474bb, aant. 2; Westenberg, Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 474bb Rv, aant. C1 (online, laatst bijgewerkt op 1 juli 2014) nemen aan dat art. 474bb Rv van toepassing is.
209. Zojuist kwam bij bespreking van het Nederlandse appartementsrecht het “aandeel in de gehele gemeenschap” al kort aan bod.1 Ook bij het vruchtgebruik van een algemeenheid van goederen ging ik hier op in.2 De wet gaat van zoiets als een aandeel in de gehele gemeenschap uit wanneer het gaat om een bijzondere gemeenschap, die doorgaans meerdere goederen zal omvatten, zie art. 3:191 BW. Dit lijkt een medegerechtigdheid tot meerdere goederen tezamen in te houden – en dus een uitzondering op het uniciteitsbeginsel. Zoals ik hierboven ook al aangaf, is dit echter niet het geval. Het aandeel in de gehele gemeenschap bestaat in werkelijkheid uit de aandelen in de afzonderlijke goederen.3 Hieraan doet mijns inziens niet af dat de deelgenoten in beginsel4 niet bevoegd zijn over hun aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk te beschikken (art. 3:190 lid 1 BW).
Weliswaar doet zich hier een situatie voor die lijkt op de splitsing van meerdere goederen in appartementsrechten ineens, maar er is een verschil, waar ik in de vorige paragraaf reeds kort op wees. Het verschil is gelegen in het feit dat bij de bijzondere gemeenschap nog wel over de afzonderlijke goederen beschikt kan worden, door de deelgenoten tezamen. De goederen behouden afzonderlijk hun betekenis en zijn afzonderlijk object van medegerechtigdheid (gemeenschap), ook al zijn de deelgenoten niet bevoegd tot beschikking over de afzonderlijke aandelen daarin. Tevens kan indien toestemming van de overige deelgenoten wordt verkregen wél over een aandeel in een afzonderlijk goed beschikt worden5 en ook is voor levering van het aandeel in de gehele gemeenschap levering van de afzonderlijke goederen vereist.6
Hoewel dus, vanwege de zojuist besproken beperking in de beschikkingsbevoegdheid, en vanwege het eerderbesproken afgescheiden vermogen dat bij de bijzondere gemeenschap bestaat,7 een zekere samenhang tussen de aandelen in de afzonderlijke goederen aan te wijzen is, staan uiteindelijk de afzonderlijke goederen en de aandelen daarin nog steeds centraal.
210. Overigens wordt in de memorie van antwoord bij art. 3:166 BW zelfs met betrekking tot de eenvoudige gemeenschap gesproken van ‘één gemeenschap’ ten aanzien van meerdere goederen, zonder dat zich een algemeenheid van goederen voordoet zoals bij de bijzondere gemeenschappen van art. 3:189 e.v. BW. In dit kader wordt van een ‘universitas facti’ gesproken, een feitelijke algemeenheid.8 Evenmin als bij de bijzondere gemeenschap is hier echter sprake van één recht op meerdere goederen tegelijk. De deelgenoten zijn zelfs (tenzij uit de rechtsverhouding tussen hen anders voortvloeit) bevoegd over hun aandeel in een afzonderlijk goed te beschikken, zie art. 3:175 lid 1 BW.9
211. In de parlementaire beraadslagingen is over beslag op een aandeel in de gehele gemeenschap door de minister opgemerkt dat dit moet geschieden overeenkomstig art. 474bb Rv, waarin is bepaald dat de executie van rechten waarvan de executie niet elders geregeld is, geschiedt overeenkomstig de afdeling over executoriaal beslag op roerende zaken, niet-registergoederen.10 Dit is merkwaardig, aangezien er ook bepalingen zijn die beslag en executie van aandelen in goederen regelen, namelijk art. 437 en 707 Rv. Gezien het feit dat voor overdracht van het aandeel in de gehele gemeenschap overdracht van de afzonderlijke aandelen in de goederen vereist is, zou te verwachten zijn dat voor beslag en executie hetzelfde zou gelden.11 In de literatuur wordt dan ook aangenomen dat de minister het bij het verkeerde eind had en beslag en executie van een aandeel in de gehele gemeenschap plaatsvindt overeenkomstig art. 437 en 707 Rv, zij het dat de executant slechts beschikkingsbevoegd is voor zover alle aandelen aan dezelfde persoon verkocht en geleverd worden.12 Dat lijkt mij, gezien het besprokene in de vorige paragraaf, de dogmatisch correcte oplossing.13
Perrick is genuanceerder en meent dat de executie, zoals ook uit de parlementaire beraadslagingen blijkt, overeenkomstig art. 474bb Rv dient te geschieden, maar het beslag niet. Hij acht de keuze van de wetgever om het aandeel in de gehele gemeenschap in het kader van de executie verbintenisrechtelijk aan te merken als één geheel, gelukkig: “Zou ten opzichte van het aandeel in ieder afzonderlijk goed de procedure in acht genomen dienen te worden die voor ieder afzonderlijk goed voor uitwinning is voorgeschreven, dan zal niet of zeer moeilijk kunnen worden bewerkstelligd dat steeds dezelfde persoon als koper optreedt.”14
Daarin schuilt inderdaad een gevaar. Denk aan een gemeenschap die bestaat uit roerende en onroerende zaken: een roerende zaak wordt dan in het openbaar verkocht ten overstaan van een deurwaarder (art. 463 Rv) en de onroerende zaak ten overstaan van een notaris (art. 514 Rv). Samenwerking tussen deurwaarder en notaris is dan vereist, om de executie tot een geslaagd einde te brengen. Overigens zal dat in de visie van Perrick ook nog nodig zijn; de verkoop geschiedt dan immers langs één weg, maar voor de levering blijft levering van ieder afzonderlijk aandeel in ieder goed op de daarvoor voorgeschreven wijze vereist.15 In de opvatting dat art. 437 en 707 Rv van toepassing zijn, komt het vereiste dat de executant slechts beschikkingsbevoegd is voor zover alle aandelen aan dezelfde persoon verkocht en geleverd worden, tegemoet aan het bezwaar dat Perrick oppert.
De door de wetgever gekozen weg van art. 474bb Rv is dogmatisch in zekere zin onzuiver, maar Perrick wijst erop dat het slechts gaat om verkoop als geheel; levering is nog steeds op de voor ieder afzonderlijk aandeel in ieder afzonderlijk goed voorgeschreven wijze noodzakelijk. Inderdaad staat niets eraan in de weg om verbintenisrechtelijk (een aandeel in) een algemeenheid van goederen als geheel te behandelen.16 Bovendien biedt deze weg van art. 474bb Rv een praktisch goed hanteerbare oplossing om te voorkomen dat de aandelen in de verschillende goederen niet aan dezelfde persoon worden verkocht.17