Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/139:139 Kritische beschouwing van de (mogelijke) ratio’s om overdraagbaarheid als vereiste voor verpandbaarheid te stellen
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/139
139 Kritische beschouwing van de (mogelijke) ratio’s om overdraagbaarheid als vereiste voor verpandbaarheid te stellen
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 23-07-2025
- Datum
23-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD18560:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 734 en Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1325.
Zo ook Vriesendorp 1996, p. 106.
Vgl. Vriesendorp 1996, p. 105 en Rank-Berenschot 1997b, p. 32.
Vgl. Vriesendorp 1996, p. 105.
Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 105.
In faillissement ligt een activatransactie meer voor de hand.
Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 105.
Art. 58 lid 1 Fw, waarover hierna par. 9.2.3.
In die zin Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 105-106.
Zie hierna par. 10.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zijn er goede redenen om iedere onoverdraagbare vordering ook onverpandbaar te doen zijn? Uit de wetsgeschiedenis van art. 3:228 BW blijkt niet waarom de wetgever ervoor gekozen heeft om uitsluitend overdraagbare goederen voor verpanding vatbaar te doen zijn.1 Er lijken twee mogelijke redenen te zijn. Allereerst wordt de vestiging van een beperkt recht wel als een gedeeltelijke overdracht gezien. Deze notie kan leiden tot de gedachte dat verpanding van een goed uitsluitend mogelijk is of zou moeten zijn als dat goed kan worden overgedragen. Hiervóór, in paragraaf 4.3, is gebleken dat het beschouwen van de vestiging van een pandrecht als een gedeeltelijke overdracht een hulpmiddel kan zijn bij het doorgronden daarvan, maar dat de vestiging van een pandrecht geen gedeeltelijke overdracht is.2 Deze voorstelling van zaken is derhalve geen goede reden om uitsluitend overdraagbare vorderingen voor verpanding vatbaar te laten zijn.
De tweede mogelijke reden om uitsluitend overdraagbare goederen vatbaar voor verpanding te doen zijn, is dat verpanding uitsluitend zinvol is als de pandhouder op het verpande goed verhaal kan nemen doordat hij dit verkoopt en zijn vordering uit de opbrengst voldoet.3 Voor een pandrecht op een vordering geldt echter dat de onoverdraagbaarheid ervan niet in de weg hoeft te staan aan verhaal daarop door de pandhouder, mits hij de vordering kan innen en zich uit het geïnde kan voldoen of, in geval van inning van een vordering tot levering van een goed, het geïnde te gelde kan maken. Verhaal op vorderingen geschiedt veelal ook langs de weg van inning en niet door verkoop ervan.4
Denkbaar is dat een op zichzelf voor inning door een pandhouder vatbare vordering op enig moment nog niet door de pandhouder kan worden geïnd, bijvoorbeeld doordat de vordering nog niet opeisbaar is en dat ook niet (door opzegging)5 kan worden gemaakt. Beekhoven van den Boezem acht verpanding van dergelijke vorderingen niet wenselijk en heeft om die reden voorgesteld om alle onoverdraagbare vorderingen van verpanding uit te blijven sluiten.6 Tegen verpanding van vorderingen die op enig moment nog niet, maar uiteindelijk wel door de pandhouder kunnen worden geïnd bestaat mijns inziens echter geen bezwaar. De belemmering voor de inning van de vordering door de pandhouder is een eigenschap van de vordering die ook aan inning door de pandgever in de weg staat. Noch de pandgever, noch derden zoals crediteuren van de pandgever, zullen er nadeel van kunnen ondervinden dat de vordering ook nog niet kan worden geïnd door de pandhouder.
Beekhoven van den Boezem heeft nog een derde reden aangevoerd om onoverdraagbare vorderingen onverpandbaar te doen zijn. Hij stelt dat een onoverdraagbare vordering die nog oninbaar is de pandhouder in een ongewenste dwangpositie zou kunnen brengen doordat hij niet door een faillissementscurator tot een executieverkoop of tot inning kan worden gedwongen7 en de vordering door de curator ook niet in het kader van een ‘activa-passivatransactie’8 kan worden vervreemd.9 Dit argument is niet valide. Immers: de pandhouder kan de vordering niet vervreemden of innen om dezelfde reden waarom (de curator van) de pandgever dit niet kan. Voor de curator kan het weliswaar lastig zijn dat een vordering niet kan worden vervreemd of geïnd, maar dat probleem zou hij ook hebben indien de betreffende vordering niet verpand zou zijn. Laat de inningsbevoegde pandhouder inning van een al dan niet onoverdraagbare vordering die voor inning vatbaar is achterwege zonder daartoe een goede reden te hebben, dan kan de curator (i) de pandhouder een redelijke termijn stellen om tot uitoefening van zijn recht over te gaan na het verstrijken waarvan de curator de vordering kan innen,10 (ii) de pandhouder lossen waardoor het pandrecht eindigt,11 of (iii) de kantonrechter verzoeken hem te machtigen om de vordering te innen.12 Ook indien de pandhouder weigert de vordering door opzegging opeisbaar te maken,13 kan de curator via een van deze wegen bewerkstelligen dat hij het opzeggingsrecht kan uitoefenen. Aannemelijk is dat de pandgever casu quo diens curator die door de kantonrechter tot inning van de vordering is gemachtigd, bevoegd is de vordering door opzegging opeisbaar te maken.
Voor vorderingen die onoverdraagbaar zijn op grond van een daartoe strekkend beding is er nog een vierde reden die wel is aangevoerd om dergelijke vorderingen niet vatbaar voor verpanding te doen zijn. De debiteur die onoverdraagbaarheid heeft bedongen zal dat wel hebben gedaan omdat hij niet met een andere ‘inner’ dan zijn oorspronkelijke schuldeiser geconfronteerd wenst te worden.14 Dit argument overtuigt niet, omdat niets er aan in de weg staat dat de debiteur en zijn schuldeiser in dat geval naast onoverdraagbaarheid tevens onverpandbaarheid overeenkomen (zie paragraaf 6.4.4) en niet valt uit te sluiten dat een debiteur wel met verpanding, maar niet met overdracht wenst in te stemmen. Verpanding heeft voor de debiteur namelijk minder verstrekkende gevolgen dan overdracht doordat de debiteur door verpanding, anders dan door overdracht, geen andere schuldeiser krijgt. Zo kan een pandhouder zijn schuld aan de debiteur niet verrekenen met de aan hem verpande vordering, maar kan een cessionaris zijn schuld aan de debiteur wel verrekenen met de aan hem gecedeerde vordering.15 Daar komt bij dat onoverdraagbaarheid van een vordering niet aan beslag op die vordering onder de debiteur, gevolgd door inning door een deurwaarder, in de weg staat. Er is geen aanleiding om beslag en pand in dit opzicht verschillend te behandelen.