Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.2.3
III.10.2.3 Omgevingswet
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375280:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 26.
Zie voor de tekst van deze bepalingen Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 2, p. 37 en 78.
Of een in de vergunning bepaalde langere termijn.
Het betreft meer specifiek een milieubelastende activiteit en een daarmee samenhangende lozingsactiviteit. Zie art. 5.1 lid 2 sub b respectievelijk art. 5.1 lid 2 sub c Ow.
Art. 18.10 lid 1 Ow.
Art. 18.10 lid 2 Ow.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in art. 18.10 lid 2 Ow een specifieke intrekkingsgrond neergelegd is voor een vergunning die betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in art. 1.1 Wm.
In tegenstelling tot art. 3.9 lid 3 Wabo.
Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 227-228.
Evenals voor een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1 lid 1 aanhef en onder b en g Wabo.
Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 507.
Vgl. art. 2.33 lid 2 aanhef en onder a Wabo.
Vgl. art. 5.38 lid 2 aanhef en onder b Ow.
Op 17 juni 2014 heeft de minister van I&M het wetsvoorstel voor een Omgevingswet naar de Tweede Kamer gestuurd. Doel van deze wet is kort gezegd het vereenvoudigen en bundelen van regelgeving op het gebied van ruimtelijke projecten.1 Daartoe vindt een vergaande integratie plaats van wetgeving op diverse gebieden, zoals ruimtelijke ordening, water, milieu, natuur en bouw.2 In de Omgevingswet is ook een regeling inzake intrekking en wijziging opgenomen. De wetgever heeft hieraan een drietal bepalingen gewijd.3 In hoofdstuk 5 van de Omgevingswet (hierna: Ow) met als titel ‘De omgevingsvergunning en het projectbesluit’ zijn de eerste twee bepalingen inzake intrekking en wijziging neergelegd. Art. 5.37 Ow bepaalt in welke gevallen een verplichting bestaat tot wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel intrekking van de omgevingsvergunning. De gronden voor wijziging zijn echter niet in deze bepaling zelf neergelegd. Daartoe wordt verwezen naar een AMvB, of, ingeval een omgevingsvergunning wordt verleend op grond van een verordening van het waterschap of op grond van een (provinciale) omgevingsverordening,4 naar de betreffende verordening. Art. 5.38 Ow bevat een discretionaire bevoegdheid tot wijziging en intrekking van een omgevingsvergunning. In het eerste lid van deze bepaling wordt ten aanzien van de gronden voor wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften wederom verwezen naar de hiervoor reeds genoemde AMvB en verordeningen. In het tweede lid is een zestal intrekkingsgronden neergelegd. Het betreft achtereenvolgens intrekking op bij AMvB bepaalde gronden (onderdeel a), intrekking wegens het gedurende een jaar5 niet verrichten van activiteiten met gebruikmaking van de vergunning (onderdeel b), intrekking op verzoek van de vergunninghouder (onderdeel c) en intrekking op grond van de Wet Bibob (onderdeel d). In onderdeel e is een bijzondere intrekkingsgrond neergelegd welke ziet op de situatie waarin twee specifieke activiteiten samenhangen.6Onderdeel f verwijst tot slot weer naar eventuele intrekkingsgronden die in een waterschaps- of (provinciale) omgevingsverordening zijn neergelegd.
Evenals onder de Wabo het geval is, wordt in de Omgevingswet onderscheid gemaakt tussen beleidsmatige intrekking (zie de hiervoor besproken artt. 5.37 en 5.38 Ow) en intrekking bij wijze van sanctie. Op grond van art. 18.10 Ow kan een omgevingsvergunning onder meer worden ingetrokken wanneer wordt gehandeld in strijd met bepaalde algemene regels.7 Daarbij geldt net als onder de Wabo dat de overtreder de gelegenheid dient te krijgen om alsnog normconform te handelen.8 Op grond van art. 18.10 lid 4 Ow kan intrekking voorts plaatsvinden indien de geadresseerde bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt.9
Het lijkt erop dat de wetgever geen grote wijzigingen heeft beoogd ten opzichte van de Wabo wat betreft de formulering van de wijzigings- en intrekkingsgronden. Wel is van belang dat een aantal gronden in een AMvB (het Omgevingsbesluit) zal worden neergelegd, waarvan tot op heden nog geen tekst beschikbaar is. Afgewacht zal moeten worden welke gronden hier precies in worden opgenomen.
Wat in de eerste plaats opvalt is dat de Bibob-intrekking onder de Wabo in het hoofdstuk inzake de handhaving was opgenomen (hoofdstuk 5), maar in de Omgevingswet bij de beleidsmatige intrekkingsgronden is geplaatst. Daar is bewust voor gekozen. In de memorie van toelichting bij de Omgevingswet wordt daarover het volgende opgemerkt:
‘Deze intrekkingsgrond is in het geldend recht geregeld in artikel 5.19 Wabo. Het betreft hier het hoofdstuk “Bestuursrechtelijke handhaving” van de Wabo. Deze positionering als handhavingsinstrument is bij nader inzien niet juist geacht. Gelet op de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, gaat het hier om een zelfstandige intrekkingsgrond, vergelijkbaar met de andere intrekkingsgronden in artikel 5.38, tweede lid, en niet om een intrekkingsgrond als sanctie op het niet nageleefd hebben van een andere rechtsregel. Om die reden wordt deze intrekkingsgrond in dit wetsvoorstel geregeld in artikel 5.38 en niet in hoofdstuk 18 “Handhaving en uitvoering”.’10
Ten tweede is de figuur van de van rechtswege verleende vergunning niet in de Omgevingswet opgenomen. In art. 16.62 lid 3 Ow is bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 Awb inzake positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen niet van toepassing is wanneer een vergunning wordt voorbereid aan de hand van de reguliere voorbereidingsprocedure.11 De wetgever is van mening dat een fictieve omgevingsvergunning in strijd kan komen met het Europees recht, omdat daaruit onder omstandigheden een verplichting voortvloeit tot het verrichten van een voorafgaande beoordeling van de aanvraag. Voorts past de fictieve omgevingsvergunning naar het oordeel van de wetgever niet goed bij de ruimere beoordelingsmarge die het bevoegd gezag onder de Omgevingswet wordt geboden.12
In de derde plaats valt te wijzen op de intrekking wegens het gedurende een bepaalde termijn niet gebruiken van de vergunning. Op grond van de Wabo geldt als hoofdregel een termijn van 3 jaar. Voor onder andere de omgevingsvergunning om te bouwen geldt een termijn van 26 weken.13 De Omgevingswet kent een algemene termijn van 1 jaar. In het kader van vereenvoudiging is gekozen voor een uniforme termijn.14 Het is wel, evenals nu op grond van de Wabo het geval is,15 mogelijk om in de betreffende vergunning een langere termijn op te nemen.16