Ondernemingsrecht 2020/80
Onderneming en maatschappij: naar een nieuw sociaal contract?
De Loi PACTE als voorbeeld
Prof. mr. J.M. de Jongh, datum 07-04-2020
- Datum
07-04-2020
- Auteur
Prof. mr. J.M. de Jongh1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS194900:1
- Vakgebied(en)
Corona (V)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Matthijs de Jongh is hoogleraar ondernemingsrecht aan de Erasmus School of Law en raadsheer in het Gerechtshof Amsterdam.
‘Stel dividendbetaling ter discussie’, Het Financieele Dagblad 27 maart 2020.
‘Virus puts responsible capitalism to the test. State support demands business plays its part as a corporate citizen’, Financial Times 29 maart 2020.
J. Kirkup, Returning the Favour. A New Social Contract for Business, Social Market Foundation 2020, www.smf.co.uk/publications/returning-favour.
Loi n° 2019–486 du 22 mai 2019 relative à la croissance et la transformation des entreprises, JORF n° 0119 du 23 mai 2019 (texte n° 2). Voor een globaal overzicht: M.D. Repiquet, ‘Report from France. Law Pacte 2019: A Successful Modernization of Company Law?’, European Company Law 16/5 (2019), p. 167-170. Uitvoeriger: X. Aumeran e.a., Loi Pacte. Ce qui change en droit des affaires et en droit social (serie Dalloz Décryptage), Paris: Dalloz 2019 (Aumeran e.a. 2019) en E. Chevrier & E. Royer (red.), L’intérêt social dans la loi pacte, Paris: Dalloz 2019 (Chevrier & Royer 2019). In Nederlands vennootschapsland is Van Olffen bij mijn weten de enige die (tijdens het Nijmeegse congres 2019) aan de Loi PACTE aandacht heeft besteed.
Aumeran e.a. 2019, nr. 103.
Vgl. N. Notat & J.D. Senard, L’entreprise, objet d’intérêt collectif, 2018 (www.economie.gouv.fr/mission-entreprise-et-interet-general-rapport-jean-dominique-senard-nicole-notat), p. 118-119 (Notat & Senard 2018) en D. Poracchia & D. Martin, ‘Regard sur l'intérêt social’, Revue des sociétés 2012, p. 475-484.
Vgl. P-H Conac, ‘La société et l’intérêt collectif: la France seule au monde?, Revue des sociétés 2018, p. 558 e.v. (opgenomen in E. Chevrier & E. Royer 2019, p. 164-174).
Art. 1833 Cc: ‘Toute société doit avoir un objet licite et être constituée dans l'intérêt commun des associés.’ Ziet art. 1833 Cc op alle maatschapsvormen, art. L225-64 Code de commerce bevat een corresponderende bepaling die specifiek is toegesneden op de SA. Vgl. Art. 1656 BW (oud): ‘Alle maatschap moet een geoorloofd onderwerp hebben, en tot het gemeenschappelijk belang der partijen aangegaan worden.’
Notat & Senard 2018, p. 23.
J. Paillusseau, ‘Entreprise et société. Quels rapports? Quelle réforme?’, Recueil Dalloz juillet 2018, p. 1395 e.v., nr. 32 (opgenomen in Chevrier & Royer 2019, p. 138. Vgl. voorts Aumeran e.a. 2019, nr. 304. De corporate governance code (2020) sluit hierbij aan en bepaalt dat het bestuur steeds handelt dans l’intérêt social de l’entreprise.
‘Les statuts peuvent préciser une raison d'être, constituée des principes dont la société se dote et pour le respect desquels elle entend affecter des moyens dans la réalisation de son activité.’ Hierover Aumeran e.a. 2019, nr. 312 e.v.
Vgl. C. Mayer, Prosperity, Oxford: Oxford University Press 2018.
Hierover ook J.W. Winter, ‘De ontmenselijking van de grote onderneming’, Ondernemingsrecht 2019/2.
Minister van financiën Le Maire maakt zich ervoor sterk dat alle ondernemingen waarin de Franse staat participeert een raison d’être aannemen. G. Norman, ‘Bruno Le Maire veut accélérer l'application de la loi Pacte’, La Tribune 12 september 2019, www.latribune.fr/economie/france/bruno-le-maire-veut-accelerer-l-application-de-la-loi-pacte-827887.html.
Hierover o.a. J.M. de Jongh, A.J.P. Schild & L. Timmerman, ‘Naar maatschappelijke varianten van de rechtsvormen in Boek 2 BW?’, in: A.J.A.J. Eijsbouts e.a., Maatschappelijk verantwoord ondernemen (preadvies 2010), Deventer: Kluwer 2010.
Art. L210-10 Code de Commerce (CdC).
Art. L210-10 – L210-12 CdC en Décret n° 2020-1 du 2 janvier 2020 relatif aux sociétés à mission; www.legifrance.gouv.fr.
Zie bijv. A.W.A. Boot, De ontwortelde onderneming. Ondernemingen overgeleverde financiers?, Assen: Van Gorcum 2009. Het wetsvoorstel voor een wettelijke bedenktijd, maar ook bijvoorbeeld het Fugro-arrest vormen in zekere zin een antwoord op die kritiek. Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 2; HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, NJ 2018/331 (Boskalis/Fugro).
Zie onder veel meer Martin Wolf, ‘Why rigged capitalism is damaging liberal democracy’, Financial Times 18 september 2019, J.W. Winter, ‘De ontmenselijking van de grote onderneming’, Ondernemingsrecht 2019/2 en Kees van Lede & Joris Luyendijk, Pessimisme is voor losers. Op de rand van een nieuwe tijd, Amsterdam: Balans 2020.
Over deze problematiek elders in dit nummer B.J. de Jong, ‘Voorkomen van ongewenste zeggenschap in vennootschappen die van vitaal belang zijn voor de volksgezondheid bij een virusuitbraak’, Ondernemingsrecht 2020/74.
Hierover ook H.J. de Kluiver, ‘Kroniek van het ondernemingsrecht’, NJB 2020/956.
Vgl. C.F. Perquin-Deelen, ‘Diversiteit in tijden van crisis’, Ondernemingsrecht 2020/75.
Op dit punt ging Adidas onderuit toen het, na een recordwinst te hebben geboekt, gretig gebruik maakte van een Duitse regeling die was bedoeld om de huurlast van kleine ondernemingen in de crisis te verlagen. CEO Kasper Rorsted ging diep door het stof: ‘Wir haben verstanden, dass nicht alles legitim ist, was legal ist’ (S. Astheimer, ‘Kniefall in drei Streifen’, Frankfurter Allgemeine Zeitung 1 april 2020). Denk in Nederland aan het afgeblazen bonusvoorstel van KLM-topman Elbers.
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun).
Zie bijv. art. 28 lid 4 WOR, art. 2:391 lid 1 BW en, wat aandeelhouders betreft, art. 5:87c Wft. Vgl. B.F. Assink & L. Timmerman, ‘Langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders’, Ondernemingsrecht 2019/157, J.M. de Jongh, ‘Een maatschappelijke resultante. Het vennootschapsbelang op de golven van maatschappelijke verandering,’ in: B. Kemp, H. Koster & C.A. Schwarz (red.), De betekenis en functies van het vennootschappelijk belang, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 21-23 en, vanuit Europees perspectief, M. Verbrugh, ‘Naar een beter Europees ondernemingsrecht’ (oratie EUR), Ondernemingsrecht 2020/20.
Kamerstukken II 2019/20, 35367, nr. 2 (bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap).
Vgl. M.E. Coenraads en J.E.S. Hamster, ‘Verantwoord ondernemen: van soft law naar harde verplichtingen via strategisch procederen’, TOP 2019/451.
Kamerstukken II 2018/19, 35040, 2 waarover J.M. de Jongh, ‘Naar een nieuwe variant van de BV?’, Ondernemingsrecht 2018/121. Zie KPMG & Nyenrode, Stimuleren van (h)erkenning van sociale ondernemingen, bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 32637, 420.
Sinds het gereedkomen van het concept van dit artikel is daarover veel nagedacht. Een voorlopig resultaat daarvan is elders in dit themanummer te lezen: J.W. Winter, J.M. de Jongh, J.B.S. Hijink, L. Timmerman, G. van Solinge en 20 andere hoogleraren ondernemingsrecht, 'Naar een zorgplicht voor bestuurders en commissarissen tot verantwoordelijke deelname aan het maatschappelijk verkeer', Ondernemingsrecht 2020/86.
Na de coronacrisis zal de discussie over de verhouding tussen onderneming en maatschappij niet verstommen. Integendeel: de staatssteun aan ondernemingen zal deze discussie naar verwachting verder versterken. Met de Loi PACTE (2019) heeft president Macron onder meer het contrat social tussen onderneming, overheid en maatschappij willen vernieuwen en zo de maatschappelijke rol van ondernemingen willen herdefiniëren. Drie aspecten van deze grote hervormingswet worden besproken. Vooreerst de bestuursopdracht en het vennootschapsbelang: de Loi PACTE introduceert een wettelijk belangenpluralisme en de verplichting voor de ondernemingsleiding om de consequenties van haar handelen op sociaal en milieugebied in haar afwegingen te betrekken. Ten tweede de uitnodiging aan ondernemingen om een raison d’être, een bestaansgrond, in de statuten op te nemen. Daarin definieert de vennootschap haar purpose, haar uiteindelijke doel. Zij zet daarin uiteen wat voor organisatie zij wil zijn en welke rol zij in de maatschappij wil spelen. In de derde plaats de mogelijkheid voor social enterprises om zich, ongeacht hun rechtsvorm, met een wettelijk keurmerk te onderscheidenals société à mission. Onderzocht wordt in hoeverre de Loi PACTE in Nederland als inspiratiebron kan worden gebruikt.
1. Inleiding
Het primaat van het aandeelhoudersbelang wordt vaak onderbouwd vanuit de gedachte dat aandeelhouders het uiteindelijke ondernemersrisico dragen. Maximalisatie van de belangen van aandeelhouders – de postconcurrente crediteuren – impliceert immers dat de overige crediteuren hebben gekregen wat hun toekomt.
Tijdens de kredietcrisis zagen we al dat op die redenering wat valt af te dingen. Overheden namen risico’s over van private banken die moesten worden gered. Vandaag de dag maken we een nieuwe golf van economische steun door, nu in de volle breedte van de economie. De enorme overheidssteun knaagt aan de gedachte dat aandeelhouders als enige het uiteindelijke ondernemersrisico dragen: wij allemaal betalen in de vorm van een opgelopen staatsschuld.
Het is dan ook niet meer dan consequent dat het Financieele Dagblad in zijn commentaar schreef dat dividendbetalingen alleen te rechtvaardigen zij voor een onderneming die geen enkele (indirecte) overheidssteun geniet.2 Een grotere rol van de staat is onvermijdelijk, aldus de Financial Times een paar dagen later: ‘One of the consequences of the pandemic must be a redrawing of the relationship between business and society.’3 De Financial Times bepleitte een nieuw sociaal contract tussen bedrijfsleven, overheid en maatschappij: ‘The global recovery effort will require all parts of society to work together. Business must play its part.’ Met instemming verwees de Financial Times naar een recent rapport met de veelzeggende titel ‘Returning the Favour: A New Social Contract for Business.’4
2. Mastodonte législatif
Kan het vennootschapsrecht een rol spelen bij het definiëren van een nieuw sociaal contract als de ergste storm weer is geluwd? Op dit punt behoeven we ons niet alleen te oriënteren op de Anglo-Amerikaanse discussie over corporate citizenship en purpose. Laten we ook eens kijken naar recente ontwikkelingen in Frankrijk. Met de Loi PACTE (Plan d’Action pour la Croissance et la Transformation des Entreprises), afgekondigd in mei 2019, heeft Macron het contrat social tussen bedrijfsleven en maatschappij willen herdefiniëren.5 Deze grote hervormingswet, un véritablemastodonte législatif,6 rust op twee pijlers: libérer et protéger. De Loi PACTE combineert deregulering voor het bedrijfsleven met bepalingen die verantwoord ondernemen moeten bevorderen. De meest uiteenlopende onderwerpen worden erin geregeld, van de vereenvoudigde oprichting en ontbinding van vennootschappen, administratieve lastenverlichting voor kleine ondernemingen, een wettelijke basis voor de privatisering van de Aéroports de Paris tot de implementatie van de aandeelhoudersrichtlijn.
3. Het vennootschapsbelang als drietrapsraket
Ter zake van het contrat social tussen ondernemingen en maatschappij bevat de Loi PACTE een drietrapsraket. Allereerst het vennootschapsbelang dat van oudsher meer dan in Nederland wordt bezien vanuit aandeelhoudersperspectief.7 Daarbij moet worden bedacht dat veel Franse beursondernemingen een geconcentreerd aandelenbezit kennen en de staat als (strategisch) aandeelhouder. De zeggenschap van grootaandeelhouders wordt bovendien versterkt door het loyaliteitsstemrecht. Het aandeelhoudersbelang krijgt daardoor een andere kleur dan in de VS of in het VK.8
Sinds 1804 bepaalt art. 1833 Code civil dat iedere vennootschap moet worden opgericht in het gezamenlijk belang van de vennoten.9 De (in Nederland reeds lang verlaten) contractuele opvatting staat nu ook in Frankrijk onder druk: ‘L’entreprise est prisonnière du droit des sociétés’, aldus Senard (CEO Michelin) en Notat (ESG adviseur) in hun voorbereidende rapport.10 De wetgever heeft hen gevolgd door een nieuwe alinea toe te voegen aan art. 1833 Cc:
‘La société est gérée dans son intérêt social, en prenant en considération les enjeux sociaux et environnementaux de son activité.’
Waar het vennootschapsbelang, intérêt social, voorheen meer in termen van het belang van de vennootschap werd beschouwd, is nu het accent verschoven naar het belang van de onderneming. In de literatuur duiken Maeijeriaanse omschrijvingen op zoals la continuité de l’exercice de son activité, la pérennité de l’entreprise, sa prospérité.11 Daarbij dient het bestuur rekening te houden met de consequenties van haar handelen op milieu- en maatschappelijk (sociaal) terrein. Kortom, een wettelijk opgelegd belangenpluralisme.
De tweede trap behelst geen verplichting, maar een uitnodiging: vennootschappen kunnen in hun statuten een raison d’être, een bestaansgrond, een uiteindelijk doel, opnemen. Deze bevat de beginselen die de basis vormen voor al het handelen van de vennootschap.12 De raison d’être gaat een laag dieper dan alleen een strategie voor langetermijnwaardecreatie in codebepaling 1.1.1. Zij beweegt zich op het niveau van zelfdefiniëring: wat voor organisatie wil de vennootschap zijn, waartoe bestaat zij, wat zijn haar schragende waarden, hoe ziet de vennootschap zichzelf in relatie tot de maatschappij?
De raison d’être doet denken aan de purpose-discussie in het VK.13 Zij beantwoordt aan de behoefte van een groeiende groep werknemers, klanten en in toenemende mate ook beleggers om zich te associëren met een bedrijf dat zich richt op overstijgende waarden en op het toevoegen van waarde voor de samenleving als geheel.14 In de afgelopen maanden hebben heel wat grote (beurs)ondernemingen, waaronder Atos, Michelin, Orange, Carrefour en Veolia een raison d’être geformuleerd.15 Hoewel er ook scepsis klinkt over ‘purpose washing’, heeft het nieuwe concept onmiskenbaar de discussie binnen ondernemingen in beweging gebracht.
De laatste trap van de drietrapsraket gaat over maatschappelijke of sociale ondernemingen: ondernemingen voor wie winstgerichtheid ondergeschikt is aan een maatschappelijk of sociaal oogmerk.16 Ongeacht hun rechtsvorm kunnen maatschappelijke ondernemingen zich met ingang van 2020 tooien met een wettelijk keurmerk société a mission. Er gelden vijf vereisten.17 Allereerst een raison d’être zoals hierboven vermeld. Daar komt bij dat deze raison mede moet zijn gericht op het bevorderen van een maatschappelijk of sociaal oogmerk of de bescherming van het milieu. De statuten moeten voorts preciseren op welke wijze aan het maatschappelijk of sociaal oogmerk invulling wordt gegeven. In elk geval dient de vennootschap een comité de mission in te stellen. Dit comité (bij kleine ondernemingen kan het uit één werknemer bestaan) is verantwoordelijk voor het hoofdstuk in het jaarverslag over de wijze waarop de vennootschap aan haar missie invulling heeft gegeven. Het comité de mission opereert onafhankelijk van alle (andere) vennootschapsorganen en heeft toegang tot alle gegevens die het nodig acht. In de vierde plaats dient jaarlijks (of driejaarlijks bij kleine ondernemingen) een externe audit plaats te vinden. Tot slot moet de hoedanigheid van société à mission in het handelsregister worden ingeschreven. Indien het verslag van de externe auditor daartoe aanleiding geeft, kan het openbaar ministerie of een belanghebbende de rechtbank in kort geding verzoeken dat de vennootschap wordt gelast het keurmerk niet langer in haar uitingen te vermelden.
Vergelijkt men de société à mission met bijvoorbeeld de Britse Community Interest Company, dan valt vooral de eenvoud van de regeling op. De regeling beslaat maar drie artikelen en een korte uitvoeringsregeling.18
4. Lessen voor Nederland?
Het valt niet te verwachten dat de discussie over purpose en corporate citizenship na de coronacrisis zal verstommen. Integendeel: alles wijst erop dat we staan aan de vooravond van een heroriëntatie over de wijze waarop de ondernemingsgewijze productie in Europa is georganiseerd. Dat heeft niet alleen te maken met de recente overheidssteun. Welbeschouwd waren we met die heroriëntatie al enige tijd begonnen. Al tijdens de kredietcrisis klonk de kritiek dat de geliberaliseerde financiële markten de sociale ontworteling van ondernemingen in de hand hadden gewerkt.19 De wens om de scherpe kantjes van het kapitalisme af te vijlen werd aan de vooravond van de coronacrisis steeds breder gedeeld.20 Van vóór de coronacrisis dateert voorts het besef dat geopolitieke spanningen zich ook via het ondernemingsrecht kunnen ontladen.21 Hetzelfde geldt voor het besef dat de gevolgen van klimaatverandering overal zullen doordringen, óók in het ondernemingsrecht.22
Met de coronacrisis voegen zich daarbij de toegenomen regierol van de staat (mogelijk ook als aandeelhouder), het besef van de kwetsbaarheid van complexe logistieke aanvoerketens en het besef dat we na de brand zullen staan voor een mogelijk lange periode van slechts gezamenlijk te realiseren herstel. Het zou mij niet verbazen als deze factoren tezamen leiden tot een nieuwe maatschappelijke inbedding van ondernemingen. Wellicht dit maal, meer dan na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, ook op Europees niveau.
In dit verband spelen nog tal van andere thema’s zoals diversiteit, belastingmoraal en evenwichtige beloningsverhoudingen.23 Ook kwesties van publieke moraal zullen in een nieuw daglicht komen te staan. De vraag of iets dat legaal is, daarmee ook als legitiem kan worden aangemerkt, duikt in nieuwe gedaantes op en blijkt ook in tijden van corona niet altijd eenvoudig te beantwoorden.24 Dergelijke onderwerpen gaan het bereik van dit artikel te buiten; ik beperk mij hier tot de vraag wat wij van de Fransen kunnen leren.
De inhoud van het vennootschapsbelang wordt in Nederland bepaald aan de hand van Cancun dat veel overeenkomsten met art. 1833 Cc vertoont.25 Belangrijk verschil is dat Cancun zwijgt over de verantwoordelijkheid van het bestuur voor de milieugevolgen van zijn handelen. Wel valt uit verschillende wetten af te leiden dat het bestuur ook naar huidig recht milieuconsequenties in zijn afwegingen moet betrekken.26 Indien de wetgever in het kader van het wetsvoorstel bedenktijd door het bestuur van beursvennootschappen gaat sleutelen aan de bestuursopdracht in art. 2:129 BW, valt te overwegen om bestaande (versnipperde) normen over de bestuursopdracht langs de Franse lijnen te codificeren.27
Wat de raison d’être betreft: het huidige Nederlandse recht werpt geen belemmeringen op wanneer vennootschappen een raison d’être (purpose) in de statuten willen opnemen. Dat gold ook voor het Franse recht vóór de Loi PACTE. Zowel dáár als hier berust een wettelijke basis voor een raison d’être op een rechtspolitieke keuze. In Frankrijk heeft de raison d’être veel discussie uitgelokt over de maatschappelijke rol van ondernemingen. Dat alleen al lijkt mij winst. Los van een eventuele wettelijke basis zou ik daarom ervoor pleiten om aan dit onderwerp aandacht te besteden bij de volgende herziening van de Corporate Governance Code. Daarbij moet overigens worden bedacht dat een statutaire raison d’être in de Nederlandse verhoudingen niet vrijblijvend behoeft zijn. Deze kan mede invulling geven aan de open normen in art. 2:8 en 2:9 BW en zo het handelen van institutioneel betrokkenen normeren.28 Dat geldt ook voor aandeelhouders wier ondernemingsmodel mogelijk op een andere raison d’être berust.
Wij zouden denk ik vooral kunnen leren van de Franse société à mission. De Loi PACTE illustreert nog eens dat Nederland achterloopt. Zo langzamerhand zijn wij een van de weinige jurisdicties in Europa die op het gebied van social entrepreneurship niets hebben geregeld. Wel zijn de verschillende wettelijke mogelijkheden zeer onlangs in kaart gebracht naar aanleiding van de initiatiefnota ‘Ondernemen met een maatschappelijke missie’.29 De gedachte dat maatschappelijke of sociale ondernemingen zich beter als zodanig moeten kunnen onderscheiden, wint terrein. Over de wijze waarop lopen de meningen meer uiteen. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een publiek keurmerk zoals in Denemarken, of door middel van een modaliteit van een bestaande rechtsvorm, bijvoorbeeld van de BV. Interessant aan het Franse model is dat tussenwegen denkbaar zijn. De rechtsvormneutrale société à mission vertoont trekken van beide en bewijst het voordeel van de eenvoud.
Er moet eerst een grote brand worden geblust. Laten we intussen ook nadenken hoe we kunnen leren van de Franse slag.30