Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.5.6:11.5.6 Conclusie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.5.6
11.5.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS595008:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
540. In deze paragraaf behandelde ik de vraag of de kennis van een functionaris geldt als kennis van de rechtspersoon wanneer de functionaris is opgetreden als wederpartij van de rechtspersoon. Doet zich een geschil voor, dan is voorstelbaar dat een derde of de functionaris zelf zich erop zal beroepen dat mét de functionaris ook de rechtspersoon het relevante feit kende. De rechtspersoon zal juist stellen dat de functionaris zijn kennis slechts had in zijn hoedanigheid van wederpartij, en dat die kennis niet aan de rechtspersoon mag worden toegerekend. In het voorgaande heb ik uitgangspunten en uitzonderingen geformuleerd voor diverse situaties.
Bij standaardgevallen, waarin de functionaris zowel voor zichzelf als voor de rechtspersoon is opgetreden, onderscheid ik vier situaties met elk een eigen uitgangspunt:
Was de voorzienbare relevantie van de informatie ten tijde van het handelen hoog, dan kan de functionaris zich er in zijn relatie tot de rechtspersoon in beginsel niet op beroepen dat mét hem ook de rechtspersoon de kennis bezat. Het zal hier vaak gaan om informatie die de functionaris opzettelijk voor anderen binnen de rechtspersoon verzwegen heeft.
Was de voorzienbare relevantie van de informatie ten tijde van het verkrijgen daarvan laag, dan had de functionaris op dat moment geen aanleiding om de informatie uitdrukkelijk vast te leggen. Hem treft op dat punt geen verwijt. Blijkt later dat dat feit toch relevant is geworden, dan mag de functionaris zich er in zijn relatie tot de rechtspersoon in beginsel op beroepen dat mét hem ook de rechtspersoon het relevante feit van meet af aan kende.
Moet de kennis van de rechtspersoon worden beoordeeld in de relatie tussen de rechtspersoon en een derde, dan komt de kennis van de functionaris die tevens wederpartij van de rechtspersoon was, in beginsel voor rekening van de rechtspersoon. Dit geldt het sterkst wanneer de voorzienbare relevantie van de informatie laag was en (daarom) niet aannemelijk is dat de functionaris heeft getracht die informatie verborgen te houden voor collega’s.
Ook indien aannemelijk is dat de functionaris de informatie wel opzettelijk verborgen hield voor collega’s, zal jegens een derde zijn kennis vrijwel altijd hebben te gelden als die van de rechtspersoon.
541. Wanneer de rechtspersoon bij de transactie is vertegenwoordigd door een ander dan de functionaris, is sprake van kennisversplintering. De functionaris heeft in zijn hoedanigheid van wederpartij in beginsel geen verdergaande mededelingsplicht dan andere wederpartijen van de rechtspersoon en voor de rechtspersoon is het gedrag van de functionaris in zijn hoedanigheid als wederpartij moeilijk beheersbaar. In beginsel dient de kennis van de functionaris daarom niet te worden toegerekend aan de rechtspersoon, noch in de relatie tussen de functionaris en de rechtspersoon, noch in de relatie tussen de rechtspersoon en een derde. Voor uitzonderingen is in het bijzonder plaats in vertrouwensgevallen, indien de functionaris erop mocht vertrouwen dat de relevante informatie reeds binnen de rechtspersoon bekend was.