De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV
Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.12:8.12 Samenvatting en conclusie
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.12
8.12 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS385314:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uitgaande van de Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Kamerstukken 32 887, Stb. 2012, 274). Deze wet zal inwerking treden op 1 januari 2013 (Stb. 2012, 305).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stonden de middelen van de kapitaalverschaffers zonder stemrecht om hun rechten af te dwingen of hun rechtspositie te verbeteren centraal.
Het agenderingsrecht van art. 2:224a lid 1 BW komt toe aan de stemrechtloze aandeelhouder, de houder van aandelen waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder en de houder van een certificaat van aandeel met vergaderrecht. Voor alle agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffers zonder stemrecht geldt dat zij aan de kapitaaleis moeten voldoen. Het agenderingsrecht komt niet toe aan de certificaathouder zonder vergaderrecht en evenmin aan de houder van een participatiebewijs. De conclusie is dan ook dat alleen vergadergerechtigden agenderingsgerechtigd zijn. Diezelfde conclusie geldt voor het bijeenroepingsrecht van art. 2:220 lid 2 BW. Alleen vergadergerechtigden zijn bijeenroepingsgerechtigd.
Er staat de vergadergerechtigde kapitaalverschaffer zonder stemrecht een aantal rechtsmiddelen ten dienste indien tijdens de algemene vergadering zijn recht op informatie is geschonden. Voorwaarde is wel dat deze kapitaalverschaffer zonder stemrecht tevergeefs tijdens de algemene vergadering om informatie of inlichtingen heeft gevraagd. Van de in paragraaf 8.4 besproken middelen om het recht van inlichtingen af te dwingen lijken een vordering gebaseerd op art. 2:217 lid 2 BW, de exhibitieplicht van art. 843 Rv, het voorlopig getuigenverhoor en het enquêterecht het meest effectief. Wat betreft het enquêterecht past in dit kader de kanttekening dat slechts indien de toestand van de vennootschap of het belang van het onderzoek dat vergt, de vennootschap op grond van een onmiddellijke voorziening gelast kan worden de aandeelhouder de tijdens de algemene vergadering onthouden informatie te verschaffen.
Een ander middel is de vordering tot medewerking tot het nemen van een besluit. Deze vordering komt naar mijn mening toe aan alle kapitaalverschaffers zonder stemrecht, uitgezonderd de houder van certificaten zonder vergaderrecht. Deze laatste behoort immers niet tot de kring van betrokkenen in de zin van art. 2:8 BW. De grondslag voor de vordering is de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid. Daarnaast ben ik van mening dat de rechter met de nodige terughoudendheid de vordering tot medewerking tot het nemen van een besluit moet beoordelen.
De kapitaalverschaffers zonder stemrecht die tot de kring van betrokkenen in de zin van art. 2:8 BW behoren, zijnde de stemrechtloze aandeelhouder, de aandeelhouder waarbij stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of de pandhouder, de houder van certificaten met vergaderrecht en de houder van een participatiebewijs, komen de vordering tot vernietiging van besluiten ex art. 2:15 lid 1 onder b BW toe. De houder van certificaten zonder vergaderrecht komt deze vordering naar mijn mening niet toe. De vennootschap heeft niet gewild dat deze certificaathouder (s) invloed op de besluitvorming kan (kunnen) uitoefenen. De wil en verklaring van de vennootschap is daarop niet gericht, omdat de statuten aan die certificaten geen vergaderrecht toekennen.
In spoedeisende zaken kan de kapitaalverschaffer zonder stemrecht in kort geding op grond van art. 254 Rv een onmiddellijke voorziening bij voorraad vorderen. De grondslag voor een dergelijke vordering kan zijn strijdigheid met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid. Te denken valt aan een verbod van een voorgenomen besluit van het bestuur of de algemene vergadering dat de gerechtvaardigde belangen van de kapitaalverschaffer zonder stemrecht raakt, of juist een gebod indien nagelaten wordt een besluit te nemen. Gelet op de aard van de procedure en het voorlopige karakter van de op te leggen maatregel is het naar mijn mening de vraag of de kapitaalverschaffer zonder stemrecht in alle gevallen baat bij het gebod of verbod in kort geding zal hebben. Het komt mij bovendien voor dat de kapitaalverschaffer zonder stemrecht die tot de kring van betrokkenen behoort eerder een in rechte te respecteren belang heeft dan de certificaathouder zonder vergaderrecht.
Het recht van enquête komt aan alle kapitaalverschaffers zonder stemrecht toe (mits zij aan de kapitaaleis voldoen), uitgezonderd de houder van een participatiebewijs. Op grond van art. 2:346 lid 1 onder e BW1 acht ik het echter mogelijk dat de houder van een participatiebewijs bij de statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon de enquêtebevoegdheid wordt toegekend. Daarbij zal aan de kapitaaleis voldaan moeten zijn, omdat anders de houder van een participatiebewijs in een gunstiger positie komt te verkeren dan de andere kapitaalverschaffers zonder stemrecht. Daarnaast acht ik het mogelijk dat de houder van een participatiebewijs zich ex art. 282 lid 1 Rv als belanghebbende in de enquêteprocedure voegt.
Het komt mij voor dat de kapitaaleis bij een enquêteverzoek geen belemmering is in de bescherming van de kapitaalverschaffers zonder stemrecht. Ook de rechtspersoon zelf kan een verzoek tot enquête indienen. De kapitaalverschaffer zonder stemrecht die niet aan de kapitaaleis voldoet, kan zich als belanghebbende in de enquêteprocedure voegen. Bovendien kan de OK ook ambtshalve de kapitaalverschaffer als belanghebbende oproepen. Daarnaast bestaat voor iedere belanghebbende de mogelijkheid een zelfstandig verzoek in te dienen, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke enquêteverzoek.
De vraag of het enquêterecht een probaat middel is ter bescherming van de aan de rechtsfiguren zonder stemrecht verbonden financiële rechten, kan niet zonder meer en overtuigend met ‘ja’ worden beantwoord. Wel zal de uitkomst van de enquêteprocedure ertoe kunnen leiden dat besluitvorming met betrekking tot uitkeringen zorgvuldiger en beter gemotiveerd geschiedt, waarbij extra aandacht zal worden besteed aan de positie van de kapitaalverschaffer zonder stemrecht en de motivering van de rechter om tot vernietiging van het besluit tot reservering te komen.
De vordering tot gedwongen overdracht of uitstoting in de geschillenregeling komt toe aan de stemrechtloze aandeelhouder en de houder van aandelen waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder, mits aan de kapitaaleis van art. 2:336 BW is voldaan. De vordering komt niet toe aan de certificaathouder en evenmin aan de houder van een participatiebewijs. De vordering tot uittreding ex art. 2:343 BW komt eveneens toe aan de stemrechtloze aandeelhouder en de houder van aandelen waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder, doch niet aan de certificaathouder en evenmin aan de houder van een participatiebewijs.
Een knelpunt in de regeling van de vordering tot uitstoting en de vordering tot uittreding is dat deze vorderingen niet toekomen aan de certificaathouder. Ik zie geen goede reden waarom de stemrechtloze aandeelhouder wel en de houder van een certificaat met vergaderrecht niet deze vorderingen toekomt, terwijl de certificaathouder enquêtegerechtigd is. Een (ander) knelpunt in de regeling van de vordering tot uitstoting is de kapitaaleis van ten minste een derde van het geplaatste kapitaal, die art. 2:336 BW stelt. Daarvoor is evenmin een goede reden te bedenken. Ik pleit er voor die kapitaaleis gelijk te trekken met de kapitaaleis voor het indienen van een enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:346 lid 1 onder b BW, zijnde ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal. De houder van een certificaat zonder vergaderrecht behoort niet tot de kring van betrokkenen, zodat ik aan hem niet de vordering tot uitstoting en de vordering tot uittreding zou willen laten toekomen.
In paragraaf 8.10 kwam ik tot de conclusie dat het stemrecht op stemrechtloze aandelen in voorkomend geval niet moet ‘herleven’. Het lijkt mij wegens de casuïstiek ondoenlijk een bepaling te formuleren die in de situatie voorziet dat het stemrecht herleeft ingeval de aan het stemrechtloze aandeel verbonden financiële rechten worden geraakt. De algemene norm van de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid biedt daarvoor reeds bescherming. Daarnaast zou de regeling van het stemrechtloze aandeel nog minder ‘eenvoudig’ worden, dan zij met haar zestien beschermingsregels – verdeeld in types van goedkeuring, instemming en vrijstelling – al is en maakt een degelijke regeling het stemrechtloze aandeel voor de praktijk minder aantrekkelijk. Bovendien voorziet de wet reeds in de mogelijkheid tot versterking van de positie van de stemrechtloze aandeelhouder.
Tot slot betoogde ik in paragraaf 8.11 dat zowel statutair als buiten-statutair de rechtspositie van de stemrechtloze aandeelhouder kan worden versterkt. Voor de mogelijkheden daartoe verwijs ik naar hetgeen ik in die paragraaf heb opgemerkt.