Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.2:7.2 Voorbeelden van standaardgevallen
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.2
7.2 Voorbeelden van standaardgevallen
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598487:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie randnummer 107 over het feit dat kennis in een dergelijk geval ‘in het kielzog’ van de gedraging wordt toegerekend.
PG Boek 3, p. 261 (T.M.) en p. 262 (MvA II).
Is de aannemer niet, zoals in deze casus, ook de opdrachtgever (en is zijn kennis dus externe kennis), dan mag de opzet of grove schuld van de aannemer bij de toepassing van art. 5:54 lid 3 BW niet zonder meer aan de opdrachtgever worden toegerekend, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis. Zie PG Boek 5, p. 211.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
167. ‘Standaardgeval’ is geen algemeen aanvaard begrip in het Nederlandse recht. Deze paragraaf geeft enkele voorbeelden van standaardgevallen om meer inzicht te bieden in de reikwijdte van dit begrip. Die reikwijdte wordt in de loop van dit hoofdstuk verder uitgediept. De voorbeelden hierna betreffen steeds gevallen waarin de functionaris met de relevante kennis zelf op enige wijze betrokken is bij de rechtsverhouding waarvoor zijn kennis relevant is, en waarin geen wettelijke grondslag bestaat om zijn kennis aan de rechtspersoon toe te rekenen. Situaties waarin de rechtspersoon aansprakelijk wordt gehouden wegens het handelen of nalaten van een functionaris met bepaalde kennis blijven buiten beschouwing. Die aansprakelijkheid zal kunnen worden vastgesteld op basis van art. 6:76 BWof 6:170 BW, zonder dat afzonderlijke toerekening van kennis is vereist.1
a. Klachttermijn
168. Een magazijnmedewerker neemt een door de rechtspersoon gekochte machine in ontvangst die duidelijk zichtbaar een gebrek vertoont. De machine staat zes maanden in het magazijn voordat hij in gebruik wordt genomen. Nadat het gebrek door de gebruikers van de machine is ontdekt, klaagt de rechtspersoon daarover bij de leverancier. Die beroept zich erop dat de klachttermijn van art. 7:23 BW is verstreken.
Nu in het onderhavige geval het gebrek duidelijk zichtbaar is en voor de ontdekking daarvan geen specifieke kennis van de overeenkomst of gebruik van de machine nodig is, ligt voor de hand dat de klachttermijn is gaan lopen op het moment dat de magazijnmedewerker het gebrek ontdekte of redelijkerwijs had behoren te ontdekken.
De klachttermijn gaat – kort omschreven – lopen op het moment dat de koper ontdekt of redelijkerwijs behoort te ontdekken dat het geleverde niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. Door de gekochte goederen in ontvangst te nemen, fungeert de magazijnmedewerker als hulppersoon bij de uitvoering van de koopovereenkomst. Bij de totstandkoming of inhoud van de koopovereenkomst was de magazijnmedewerker niet betrokken. Of de klachtplicht is gaan lopen, kan dus niet door rechtstreekse toepassing van art. 3:66 lid 2 BW worden bepaald. De vraag of tijdig is geklaagd, is bovendien geen kwestie van bepaling van de geldigheid of de gevolgen van een rechtshandeling. Voor de toerekening van de kennis van de magazijnmedewerker ontbreekt dus een wettelijke grondslag.
De levering van de machine is wel een rechtshandeling.2 De parlementaire geschiedenis benadrukt dat ook het in ontvangst nemen van een zaak een vorm van passieve vertegenwoordiging kan zijn (art. 3:60 lid 2 BW).3 De magazijnmedewerker fungeert hier dus als passief vertegenwoordiger: de levering is voltooid op het moment dat de machine aan de medewerker ter hand wordt gesteld. Voor het bepalen van de rechtsgevolgen van díe rechtshandeling zal zijn kennis dan ook op grond van art. 3:66 lid 2 BW in aanmerking moeten worden genomen. Vertrouwt de verkoper de magazijnmedewerker toe dat de geleverde machine gestolen is, dan verkrijgt de rechtspersoon-koper de machine niet te goeder trouw. Het gaan lopen van de klachttermijn is echter geen gevolg van de goederenrechtelijke overeenkomst waarin de medewerker een aandeel heeft.
b. Verjaring
169. Een bedrijfsjurist treedt op als gemachtigde voor een verhuurder in een procedure bij de kantonrechter over de opzegging van een huurovereenkomst. Uit uitlatingen van de huurder tijdens een zitting kan de bedrijfsjurist opmaken dat de lekkages die sinds een jaar worden geconstateerd, het gevolg zijn van illegale bedrijfsactiviteiten van de huurder van een andere ruimte in het pand. Zes jaar later vordert de verhuurder schadevergoeding van de andere huurder. Die stelt dat de rechtsvordering van de verhuurder is verjaard, omdat de verhuurder meer dan vijf jaar eerder al bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon (art. 3:310 BW).
Het ligt voor de hand dat de kennis van de bedrijfsjurist hier geldt als kennis van de verhuurder, zodat de rechtsvordering is verjaard.
c. Overbouw
170. Een aannemersbedrijf bouwt zelf zijn nieuwe hoofdkantoor op eigen terrein. De projectleider realiseert zich dat een deel van het gebouw komt te staan op het terrein van de buren, maar laat de bouw voortgaan en waarschuwt zijn leidinggevenden niet. Het aannemersbedrijf vordert vervolgens van de eigenaars van het aangrenzende erf dat tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid wordt verleend. Die eigenaars beroepen zich echter op art. 5:54 lid 3 BW: volgens hen was het aannemersbedrijf te kwader trouw toen het op hun terrein bouwde, zodat de vordering moet worden afgewezen.
Wat mij betreft bestaat er geen twijfel over dat mét de projectleider het aannemingsbedrij wist dat een deel van het pand werd gebouwd op grond van de buren.4
d. Dwaling
171. Een medewerker van de divisie woningbouw van projectontwikkelaar Jansen BV doet onderzoek naar een aan te kopen perceel. In dat kader duikt zij in de gemeentelijke archieven. Zij ontdekt dat op het terrein veertig jaar eerder een verffabriek stond. Dat betekent: een verhoogde kans op bodemvervuiling. De medewerker vergeet in haar onderzoeksrapport echter het hokje ‘risicoverhogende bedrijfsactiviteiten in het verleden’ aan te klikken. De onderhandelaar namens Jansen BV gaat uit van de juistheid van het rapport. Is de koopovereenkomst tot stand gekomen onder invloed van dwaling van Jansen BV?
In deze situatie zouden – zo vermoed ik – de meesten willen aannemen dat Jansen BV niet heeft gedwaald, maar dat zij kennis droeg van de verhoogde kans op bodemvervuiling. Ook al is de onderzoekster niet bevoegd tot het nemen van een beslissing over de aankoop, zij is wel door Jansen BV specifiek ingezet voor de voorbereiding van die beslissing en voor het kennis nemen van informatie die daarvoor relevant is. Als zij die kennis intern niet doorgeeft, komt dat voor risico van Jansen BV. Dit geval is echter wel ingewikkelder dan de vorige voorbeelden, omdat de functionaris die de koopovereenkomst sloot, van niets wist. Men zou daarom kunnen betogen dat dit een geval van kennisversplintering is. Ik beschouw het niettemin als een standaardgeval; in de loop van dit hoofdstuk zal duidelijk worden waarom.