Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/2.2.1.2
2.2.1.2 Het secundaire recht van de Unie
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS420610:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R. Barents en L.J. Brinkhorst, Grondlijnen van het Europees recht, Deventer: Kluwer 1999, blz. 169.
HvJ EG 15 juli 1982, nr. 270/81, Jur. 1982, blz. 2771 (Felicitas).
HvJ EG 8 oktober 1987, nr. 80/86, Jur. 1987, blz. 3969 (Kolpinghuis Nijmegen BV).
Artikel 260 VWEU.
Voor een beschrijving van de Eerste tot en met de Twintigste Richtlijn met betrekking tot btw verwijs ik naar D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandseomzetbelasting, Deventer: Kluwer 2001, blz. 7 e.v.
Richtlijnen 67/227/EEG en 67/228/EEG van 11 april 1967, PbEG 1967, nr. L 71, zie ook D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2001, blz. 2.
Richtlijn 388/EEG, PbEG 1977, nr. L 145. De eigen middelen van de Unie werden geregeld in Besluit 70/243/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de lidstaten door eigen middelen van de Gemeenschappen, PbEG 1970, nr. L 94, zoals vervangen door Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, PbEG 1994, nr. L 293.
Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, PbEG 2010, nr. L326 (Btw-richtlijn).
Verordening van de Commissie van 15 maart 2011, nr. 2011/282/EU houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG.
M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2014, blz. 44.
Zie in de Btw-richtlijn onder meer: artikel 2 onderdeel c, artikel 3 lid 2 onderdeel a, artikel 3 lid 3, artikel 7 lid 2, artikel 12 lid 3, artikel 135 lid 1 onderdeel g.
De overgang van een algemeenheid van goederen is met zijn vage omschrijving in artikel 19 Btw-richtlijn een goed voorbeeld.
Het secundaire niveau van Unierecht betreft richtlijnen en verordeningen. De richtlijn is een vorm van Unierechtelijke regelgeving die verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat zonder dat is voorgeschreven op welke wijze dit resultaat wordt bereikt. Een richtlijn wordt daarom wel omschreven als een bindende instructie van de Unie aan de lidstaten om hun nationale recht aan te passen zoals in die richtlijn is omschreven.1 Een richtlijn heeft in die zin geen rechtstreekse werking voor onderdanen van de lidstaat. Overigens kan een onderdaan van een lidstaat zich wel rechtstreeks op een richtlijn beroepen indien deze niet, niet volledig of te laat is geïmplementeerd in het nationale recht.2 Omgekeerd kan een gebrekkige implementatie door een lidstaat niet worden tegengeworpen aan een justitiabele.3 Wanneer een lidstaat een richtlijn niet, niet volledig of onjuist implementeert kan de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen deze lidstaat starten op basis van artikel 267 VWEU. Het Hof van Justitie bepaalt dan in hoeverre de nationale implementatie tekortschiet, en gebiedt in voorkomend geval (verdere) implementatie. Wanneer aan een dergelijk gebod geen gehoor wordt gegeven riskeert de lidstaat een dwangsom.4
Het btw-recht is voor een belangrijk deel neergelegd in richtlijnen.5 De genesis van de Europese btw voltrok zich met het vaststellen van de Eerste en Tweede richtlijn.6 Met de Zesde BTW-Richtlijn werd per 1 april 1977 een geüniformeerde Europese btw vastgesteld, in het kader van de vervanging van een deel van de financiële bijdragen van de lidstaten voor ‘eigen middelen’ van de EEG (thans: de Unie).7 Per 1 januari 2007 hebben de bepalingen van de Zesde BTW-Richtlijn een herschikking gekregen in de Btw-richtlijn.8
De btw kent daarnaast een verordening. Een verordening is een algemene en bindende regeling die gericht is tot eenieder die het onderwerp betreft en heeft rechtstreekse werking in alle lidstaten. In de Btw-uitvoeringsverordening9 zijn met name bepalingen opgenomen om de interpretatieruimtes die de richtlijn op verschillende punten aan de lidstaten biedt verder in te vullen om de eenvormige uitleg van Unierechtelijke begrippen te bevorderen.10
Zoals veel Unierechtelijke regelgeving zijn de Btw-richtlijn en de Btw-uitvoeringsverordening producten van consensus en in die zin rijkelijk bedeeld met min of meer open normen en vage begrippen. Op veel plekken is nadere normstelling in het btw-recht aan lidstaten11 of impliciet aan de rechter12 overgelaten. In de Btw-richtlijnen zijn bovendien zogenoemde kan-bepalingen opgenomen. Dit zijn bepalingen met een facultatief karakter. Iedere nationale wetgever kan kiezen of een dergelijke bepaling al dan niet wordt opgenomen in de nationale wetgeving. Voorbeelden hiervan betreffen de regeling voor de geruisloze overgang van artikel 19 Btw-richtlijn en de regeling voor de fiscale eenheid van artikel 11 Btw-richtlijn.