Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.1.1.3.0.b
Verbod op vernederen als ondergrens voor een fatsoenlijke strafrechtspleging
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451977:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
‘That an intimate connection exists between the notion of human dignity and the notion of humiliation seems to be a commonplace. Humiliation is seen as first and foremost an injury to the dignity of its victims, an injury usually described in figurative language: in humiliation, one “is stripped of one’s dignity” (Gilbert, 1997, p. 133), one is “robbed of” dignity (Dillon, 1997, p. 1), or simply “loses” it (Margalit, 1996, p. 115).’ D. Statman, ‘Humiliation, dignity and self-respect’, Philosophical Psychology 2000, 4, p. 523.
A. Margalit (vertaald door J.W. Reitsma), De fatsoenlijke samenleving, Amsterdam: Van Gennep 2001, p. 11.
E.G. Lindner, ‘Humiliation and the Human Condition: Mapping a Minefield’, Human Rights Review 2001, 2, p. 51.
D. Luban, Legal Ethics and Human Dignity, Cambridge: Cambridge University Press 2007, p. 89.
Vgl. A. Margalit (vertaald door J.W. Reitsma), De fatsoenlijke samenleving, Amsterdam: Van Gennep 2001, p. 47.
A. Margalit (vertaald door J.W. Reitsma), De fatsoenlijke samenleving, Amsterdam: Van Gennep 2001, p. 47.
P.A. French, ‘Honor, Shame, and Identity’, PAQ 2002, 1, p. 1, 11.
‘Het bezit van achting in en erkenning als gelijkwaardig of volwaardig lid van de maatschappij of een maatschappelijke kring, en al wat daarmee samenhangt.’
A. Margalit (vertaald door J.W. Reitsma), De fatsoenlijke samenleving, Amsterdam: Van Gennep 2001, p. 19, 46-48 en K.A. Appiah, The Honor Code, New York, NY: Norton 2010, p. 175. Zie ook O. Schachter, ’Human Dignity as a Normative Concept’, The American Journal of International Law 1983, 4, p. 849 en A. de Baets, ‘A Successful Utopia: The Doctrine of Human Dignity’, Historein 2007, 7, p. 73 en J. Griffin, On Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2008, p. 201 en M.C. Nussbaum, Creating Capabilities: The Human Development Approach, Cambridge, MA: The Belknap Press of Harvard University Press 2011, p. 30 en R. Dworkin, Justice for Hedgehogs, Cambridge, MA: Harvard University Press, 2011, p. 191-255.
N. Keijzer annotatie bij HR 8 mei 2012, NJ 2012, 462, punt 2 (Mierenneuker).
K.A. Appiah, The Honor Code, New York, NY: Norton 2010.
K.A. Appiah, The Honor Code, New York, NY: Norton 2010, p. xiii.
C. Fried, ‘Privacy: A Moral Analysis’, Yale Law Journal 1968, 3, p. 479.
Vgl. D. Statman, ‘Humiliation, dignity and self-respect’, Philosophical Psychology 2000, 4, p. 524.
‘The challenge of accounting for dignity in moral philosophy, if there are instances of morally bad conduct that could not be dealt with adequately without recourse to dignity, immediately leads to the first heuristic turn I want to suggest for an adequate inquiry into human dignity: If we want to understand human dignity, we should start with instances of its violation.’ R. Stoecker, ‘Three Crucial Turns on the Road to an Adequate Understanding of Human Dignity’, in: P. Kaufmann, H. Kuch, C. Neuhäuser & E. Webster (eds.), Humiliation, Degradation, Dehumanization: Human Dignity Violated, Dordrecht: Springer 2011, p. 11.
M.S. Pritchard, ‘Human Dignity and Justice’, Ethics 1972, 4, p. 299-313 en O. Schachter, ’Human Dignity as a Normative Concept’, The American Journal of International Law 1983, 4, p. 848-854 en D. Statman, ‘Humiliation, dignity and self-respect’, Philosophical Psychology 2000, 4, p. 523-540.
O. Sensen, ‘Kant’s Conception of Human Dignity’, Kant-Studien 2009, 3, p. 314.
M.S. Pritchard, ‘Human Dignity and Justice’, Ethics 1972, 4, p. 309 en J. Habermas, ‘The Concept of Human Dignity and the Realistic Utopia of Human Rights’, Metaphilosophy 2010, 4, p. 469 en A. Pollmann, ‘Embodied Self-Respect and the Fragility of Human Dignity’, in: P. Kaufmann, H. Kuch, C. Neuhäuser & E. Webster (eds.), Humiliation, Degradation, Dehumanization: Human Dignity Violated, Dordrecht: Springer 2011, p. 255-256 en G. Kaleb, Human Dignity, Cambridge, MA: The Belknap Press of Havard University Press 2011, p. 5.
O. Schachter, ’Human Dignity as a Normative Concept’, The American Journal of International Law 1983, 4, p. 851.
Aristotle, The Complete Works Electronic edition, Volume II: Nichomachean Ethics Book V, Revised Oxford Translation, J. Barnes (ed.), Princeton, NJ : Princeton University Press 1984, p. 1782.
J. Rawls (bewerkt door E. Kelly), Justice as Fairness: A Restatement, Cambridge, MA: The Belknap Press of Harvard University Press 2001, p. 42. Ik verwijs hier niet naar de oorspronkelijke Theory of Justice omdat Rawls in het voorwoord (p. xv) bij Justice as Fairness aangeeft dat hij eerst enkele fouten uit zijn eerdere theorie wil herstellen en ten tweede om de theorie (uit zijn boek en nadien gepubliceerde essays) in een unified statement neer te leggen.
J.H. Gerards, ‘Proportionaliteit en gelijke behandeling’, in: A. Nieuwenhuis, B. Schueler & C. Zoethout (red.), Het proportionaliteitsbeginsel in het publiekrecht, Deventer: Kluwer 2005, p. 81.
Vgl. EHRM 24 februari 2015, appl. no. 30587/13, r.o. 73 (Karaahmed vs. Bulgarije), waarin het Hof oordeelt dat discriminatoire behandeling de menselijke waardigheid kan schenden als de mininum level of severity wordt bereikt omdat zo’n soort behandeling vernederend is.
D. Statman, ‘Humiliation, dignity and self-respect’, Philosophical Psychology 2000, 4, p. 532.
Zie ook P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over ‘menselijke waardigheid’ als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (red.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 89.
De keuze voor bescherming tegen vernedering is waarschijnlijk niet dadelijk evident. Ik wil niet te veel vooruit lopen op de uitwerking van het begrip, maar op dit moment wordt alvast kort aangegeven waarom voor de menselijke waardigheid als non-vernederingsclausule als ondergrens van een fatsoenlijke behandeling van de verdachte wordt gekozen. Ten eerste sluit vernederen bepaalde soorten handelingen niet uit. Een vernederende handeling kan bestaan uit onder andere fysiek en psychisch gedrag. Ook meer subtiel gedrag, zoals bedrog of misleiding kunnen eronder vallen. Ten tweede bepaalt het begrip vernederen niks omtrent het gevolg van de vernederende behandeling. Dus ook wat betreft de gevolgen is de term vernederen neutraal en allesomvattend. Ten derde heeft het begrip primafacie een duidelijkere betekenis dan het begrip ‘onmenselijk behandelen’. Betekent onmenselijk behandelen dat de verdachte als dier, als object, als middel, als niet-bestaand wordt behandeld? Natuurlijk is het begrip vernederen ook niet direct duidelijk, maar het biedt op het eerste gezicht wel meer handvatten. Ik analyseer en definieer hieronder eerst het begrip ‘vernederen’. Een precisering van het concept is noodzakelijk zodat duidelijk kan worden gemaakt op welke wijze vernederen en menselijke waardigheid samenhangen.1 Vervolgens wordt beargumenteerd dat vernederen de menselijke waardigheid schendt en tevens de grens vormt tussen menswaardige en mensonwaardige behandelingen.
Volgens Margalit worden burgers in een fatsoenlijke samenleving niet vernederd door overheidsfunctionarissen.2 Dit laat echter open wat vernedering is en wanneer burgers zich vernederd voelen. Een definitie van de menselijke waardigheid als non-vernederingsclausule vereist een meer nauwkeurige identificatie van wat het betekent om iemand te vernederen. Een eerste benadering om het begrip ‘vernederen’ uit te werken, biedt de grammaticale methode. ‘The term humiliation has roots in the Latin word humus, or earth. Spatially, it entails a downward orientation, literally a de-gradation.’3 Ook Luban legt vernedering taalkundig uit als iemand (ten onrechte) ‘omlaag’ halen.4 Onduidelijk bij deze twee beschrijvingen blijft echter welke eigenschap, capaciteit of kenmerk van de mens ‘omlaag’ moet worden gehaald om te spreken van een vernederende handeling. De Van Dale geeft verschillende punten aan die omlaag kunnen worden gehaald. In het woordenboek wordt ‘vernederen’ omschreven als ‘in aanzien of macht verlagen, klein maken, oneer aan doen.’ Ook hier bevat het concept ‘vernederen’ het bestanddeel verlagen. Daarnaast bevat het drie begrippen die door een vernederende behandeling kunnen worden verlaagd: aanzien, macht en eer.
Van deze drie begrippen is het laatste begrip het best toepasbaar voor het strafprocesrecht. Aanzien en macht zijn mijns inziens voor de betekenis van de non-vernederingsclausule irrelevant. Hiervoor is het verschil tussen capaciteit- en prestatie-eigenschappen belangrijk.5 Aanzien en macht zijn veranderlijke statussen die een persoon in meer of mindere mate kan bezitten (door opleiding, ervaring, functie e.a.). Aanzien en macht nemen toe of af door prestaties die een persoon levert. Zo zal de prestatie van het winnen van een gouden medaille op een wereldkampioenschap of de Olympische Spelen het aanzien van de betreffende sporter verhogen. Na bekendwording dat deze prestatie het gevolg is geweest van dopinggebruik, zal het aanzien dalen. Deze begrippen passen goed bij de menselijke waardigheid als sociaalordeningsprincipe en de term dignitas (zie paragraaf 1.1.1 van dit hoofdstuk). Bij de onderhavige (en de voorgaande) uitwerking van de menselijke waardigheid gaat het onder andere om het vaststellen van bepaalde capaciteitseigenschappen die een persoon bezit waardoor hij menswaardig moet worden behandeld. Het gaat om eigenschappen die inherent zijn aan, een capaciteit zijn van het mens-zijn. Capaciteit wordt hier bedoeld als ‘vermogen’ en niet als ‘bekwaamheid’. In de vorige paragraaf is beargumenteerd dat mijns inziens de menselijke waardigheid als normatief concept het vermogen van de rede van een persoon, en dus ook de verdachte, moet beschermen en hij daardoor niet enkel als middel mag worden gebruikt. Omdat de persoon bepaalde mentale, uniek menselijke vermogens bezit, moet zijn waardigheid worden beschermd. Bij de menselijke waardigheid als non-vernederingsclausule wordt de nadruk gelegd op ‘de eer’ als eigenschap van de mens die moet worden beschermd. Tot zover betekent ‘vernederen’ ‘het aantasten of verlagen van de eer van een mens’. Hiermee wordt echter het ene begrip (vernederen) ingeruild voor een ander begrip (de eer). Dit betekent dat de betekenis van het begrip ‘eer’ voor de non-vernederingsclausule nader moet worden uitgewerkt.
Margalit definieert eer als iets wat aan alle mensen in gelijke mate toekomt, niet om wat een persoon heeft gepresteerd maar op grond van het mens-zijn.6 Deze vorm van eer wordt door hem ‘intrinsieke eer’ genoemd, als tegenhanger van ‘sociale eer’. Sociale eer komt mensen toe op basis van bepaalde handelingen of prestaties. Sociale eer is een publieke of positionele eer (en dus een prestatie-eigenschap) en de intrinsieke eer is een persoonlijke, private eer.7 Ook in de Van Dale vormt gelijkwaardigheid een onderdeel van de definitie van eer.8 Daarnaast leggen zowel Margalit als Appiah het verband tussen ‘eer’ en ‘respect’: ‘[h]aving honor means being entitled to respect’.9 Eer is een intrinsieke waarde die de mens bezit, waardoor de mens met respect moet worden behandeld. Ook Keijzer stelt dat ‘eer’ de aanspraak op achting inhoudt.10 Het begrip ‘eer’ maakt echter niet direct duidelijk welke capaciteit, welk vermogen van de mens bescherming verdient. De vraag rijst welke capaciteitseigenschap de intrinsieke eer van de mens is, die iedereen in gelijke mate bezit en die niet mag worden vernederd. In The Honor Code gebruikt Appiah verschillende morele revoluties om tot een theorie over eer te komen.11 Hij stelt dat een gedeelte van de energie van bijvoorbeeld de beweging om slavernij af te schaffen, voortkomt uit een zoektocht naar erkenning van zelfrespect: ‘[w]e human beings need others to respond appropriately to who we are and to what we do’.12 Door onder andere onderdrukking en uitbuiting wordt het respect voor en de waarde van het zelf aangetast. De slaaf is minder waard dan anderen, en misschien zelfs minder waard dan bepaalde voorwerpen. Een vernederende behandeling tast het intrinsieke eergevoel, dat bestaat uit het respect voor en de waarde van het zelf, aan. Volgens Fried is zelfrespect ‘the attitude by which a person believes himself to be entitled to be treated by other persons in accordance with the principle of morality.’13 Zelfrespect betekent dat persoonlijke gevoelens en meningen ertoe doen en in overeenstemming daarmee voldoende door anderen worden gerespecteerd. Zelfrespect is het hebben van een zeker gevoel van eerbied voor jezelf. Zelfrespect is het hebben van een ontwikkeld gevoel van eigenwaarde.
Vernederen houdt dus in ‘het verlagen of aantasten van de eer van een persoon, door hem niet met het respect te behandelen dat hem volgens zichzelf toekomt’. De formulering op deze wijze laat open dat zowel objectieve, normatieve aantasting als subjectieve, psychologische aantasting van de eer een vernederende behandeling opleveren.14 Hieronder wordt uiteen gezet waarom mijns inziens vernederen de eerbiediging van de menselijke waardigheid aantast. In eerste instantie vindt dat plaats met een negatieve aanpak15 om te beargumenteren dat vernederen een schending van de menselijke waardigheid oplevert. Zowel normatieve als psychologische argumenten passeren daarbij de revue.16 Vervolgens betoog ik dat vernederen ook de grens tussen menswaardige en mensonwaardige behandelingen trekt.
In deze paragraaf staat de menselijke waardigheid in het traditionele paradigma17 centraal. De menselijke waardigheid wordt in dit paradigma gebruikt om gedrag op te baseren. Hierboven is dat nader uitgewerkt met Kants formule van de universele wet van de natuur: handel alleen op zo’n manier waarvan jij als actor wilt dat anderen ook zo handelen indien de posities zouden zijn gewisseld. Toegepast op het strafprocesrecht: opsporingsambtenaren dienen zich (ten opzichte van de verdachte) op zo’n wijze te gedragen zoals zij zelf, ware zij verdachte, ook willen worden behandeld. Hieraan ligt het normatieve uitgangspunt ten grondslag dat elk mens in gelijke mate mens is.18 Als de verdachte door een opsporingsambtenaar wordt vernederd, wordt de gelijke waardigheid van de mens niet geëerbiedigd. De ene mens (de ambtenaar) plaatst zich boven de andere (de verdachte). Door zijn machtspositie die de strafrechtsfunctionaris heeft, misbruikt hij dan de kwetsbare positie van de verdachte. Wanneer in een gedachtenexperiment de omgekeerde situatie – als de opsporingsambtenaar en verdachte van rol verwisselen – wordt ingebeeld, accepteert de opsporingsambtenaar het vernederen van de verdachte niet als universele wet. Intrinsiek hebben alle mensen dezelfde waardigheid en die moet worden geëerbiedigd.19 Vernederen (het verlagen van iemand zijn eer, zijn zelfrespect) strookt niet met die menselijke, inherente gelijkwaardigheid. Bij Aristoteles is gelijkheid (naast law-abiding) een onderdeel van het concept rechtvaardigheid20 en in Rawls’ Theory of Justice speelt ‘a fully adequate scheme of equal basic liberties’ een centrale rol.21 Elk mens maakt derhalve aanspraak op respect voor zijn menselijke waardigheid, die iedereen in gelijke mate toekomt. Mensen zijn gelijk, dus moeten ook gelijk worden behandeld.22 Vernederen (het verlagen van een capaciteit) is een ongelijke behandeling – de ene vernedert dan namelijk een ander – en dus een schending van de menselijke waardigheid en daarmee ook een ongerechtvaardigde behandeling.23
Naast het normatieve argument van gelijkheid en rechtvaardigheid is ook vanuit een psychologisch oogpunt te beargumenteren waarom vernederen een aantasting van de menselijke waardigheid is. Waar bij het normatieve argument de aandacht wordt gevestigd op het verlagen of aantasten van het zelfrespect, wordt bij het psychologische argument juist het zelfrespect dat wordt aangetast centraal gesteld. Dus niet (alleen) het ongerechtvaardigde karakter van de vernederde behandeling maar ook uit het gevolg die de behandeling voor het zelfrespect heeft, kan worden afgeleid dat mensen niet mogen worden vernederd.
‘To humiliate a person is not only to provide her with a reason to feel humiliated but actually to produce this painful feeling. In this respect, the structure of humiliation is different from that of betrayal. As a well-known anti-hedonistic argument shows, the evil of betrayal is independent of its painful discovery by the betrayed person. You can betray a person behind her back, thereby wronging her. By contrast, you cannot humiliate a person without her knowing it and, furthermore, without her accepting it, i.e. experiencing a loss in her self-respect and acknowledging you as its source’.24
Overigens wil ik (sterk) benadrukken dat dit argument als zodanig mogelijk problemen oplevert om vernedering als schending van de menselijke waardigheid te zien. Er zijn namelijk situaties en gedragingen denkbaar – de uitbuiting van buitenlandse werknemers in een welvarend land, terwijl die werknemers in het land van herkomst het veel slechter hadden – die voor de ‘vernederde’ persoon niet als een vernedering worden gevoeld. Andersom geldt ook dat bepaalde mensen (bijvoorbeeld met een bepaalde persoonlijkheidsstoornis) zich heel snel vernederd voelen, zich in hun zelfrespect voelen aangetast. In principe is de ongelijke, ongerechtvaardigde vernederende behandeling derhalve noodzakelijk en voldoende voor de aantasting van de menselijke waardigheid.
Niet elke handeling, ook al is die proportioneel en subsidiair, kan door de beugel. Een verdachte die zelf een slachtoffer heeft ontvoerd, gemarteld en uiteindelijk vermoord, zou met een propotionaliteitsargument ook zelf kunnen worden gemarteld. Martelen kan ook subsidiair zijn als binnen tientallen minuten informatie moet worden verkregen over een tikkende bom. Hoewel proportionaliteit en subsidiariteit belangrijke maatstaven zijn om overheidsoptreden aan te toetsen, zijn ze niet allesbepalend. Overheidsfunctionarissen mogen een bepaalde grens niet overschrijden. Het is juist de menselijke waardigheid die een derde, noodzakelijke grens stelt, namelijk de ondergrens van fatsoenlijk handelen. Mijns inziens zakt men door de ondergrens van fatsoenlijk, menswaardig gedrag als de verdachte burger wordt vernederd. In essentie gaat het dan om het aantasten van het intrinsieke eergevoel, het intrinsiek zelfrespect van de verdachte. De menselijke waardigheid als non-vernederingsclausule levert derhalve een onthoudingsplicht op.25 Wat de verdachte ook heeft gedaan, hoe onverschillig hij zich opstelt ten opzichte van het slachtoffer, hoe belangrijk bewijsvergaring ook is, de verdachte is en blijft een mens met capaciteitseigenschappen. Op bepaalde manieren mogen vrijheidsrechten van de verdachte worden beperkt, maar de verdachte mag nooit worden vernederd.