Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.0:4.0 Introductie
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.0
4.0 Introductie
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486721:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het aan dit hoofdstuk ten grondslag liggende onderzoek is reeds gedeeltelijk als artikel gepubliceerd. Zie: ‘Bestanddeelvorming op grond van art. 3:3 BW of onroerend in de zin van art.3:4 BW?’, NTBR 2014/17 (samen met M.E. Witting).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stellingen
Rechtszekerheid is het belangrijkste motief achter het eenheidsbeginsel.
Art. 5:20 BW is geen uitwerking van art. 3:4 BW, maar van art. 5:3 BW.
Een nieuwe visie op de verhouding tussen art. 3:3 en 3:4 BW is nodig om de tweewegenleer te elimineren.
Natrekking op grond van art. 5:20 lid 1 BW betekent dat de nagetrokken zaak ook bestanddeel wordt van de grond.
Inleiding
In het voorgaande hoofdstuk is bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 BW uitgebreid besproken. In aansluiting op art. 3:4 BW bepaalt art. 5:3 BW dat de eigenaar van een zaak ook eigenaar van haar bestanddelen is; het ‘eenheidsbeginsel’. Maar waarom kent ons goederenrechtelijk systeem het eenheidsbeginsel? Wat is de ratio hier achter? En verschilt die ratio van die achter art. 5:20 BW? Wat is de verhouding tussen art. 5:20 en 5:3 BW? En die tussen 3:3 en 3:4 BW? Veel vragen die tezamen de centrale vraag van dit hoofdstuk vormen, te weten:
“Wat is de verhouding tussen de artt. 3:3, 3:4, 5:3 en 5:20 BW”
Te beginnen met de verhouding tussen art. 3:4 en 5:3 BW.1