Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/6:Hoofdstuk 6 Natrekking in het platte vlak
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/6
Hoofdstuk 6 Natrekking in het platte vlak
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481885:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De eigendomsgrens van een grondstuk kan uiteraard wel samenvallen met een visuele grens, zoals een sloot of een muur, maar dit hoeft niet.
Het aan dit hoofdstuk ten grondslag liggende onderzoek is reeds gedeeltelijk als artikel gepubliceerd. Zie: ‘Zaakseenheid in het platte vlak. Een onderzoek naar het bepalen van de horizontale eigendomsgrens van grondstukken’, NTBR 2012/41.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stellingen
De horizontale eigendomsgrens van een grondstuk ligt daar waar de rechtstoestand wijzigt.
Het begrip ‘erf’ is een synoniem voor onroerende zaak, maar niet voor ‘grondstuk’.
Het is wel mogelijk een beperkt recht te vestigen op een gedeelte van een onroerende zaak, maar het is niet mogelijk een beperkt recht te hebben op een gedeelte van een onroerende zaak.
De splitsing van een beperkt recht dat rust op de grond door middel van de overdracht van een gedeelte van dat recht, brengt splitsing van het onderliggende eigendomsrecht met zich.
Inleiding
In het voorgaande zijn twee wijzen van natrekking door onroerende zaken besproken: 1) doordat een zaak onroerend is op grond van art. 3:3 BW en nagetrokken wordt door de eigendom van de grond (art. 5:20 lid 1 BW) en 2) doordat een zaak op grond van art. 3:4 bestanddeel wordt van een onroerende hoofdzaak, zodat op grond van art. 5:3 BW de eigenaar van de hoofdzaak ook eigenaar wordt van haar bestanddelen. Bij het vaststellen of natrekking op één der wijzen plaats heeft gehad, is de verkeersopvatting van doorslaggevende betekenis. Natrekking van een gebouw of werk door de grond vindt plaats indien het gebouw of werk er uitziet alsof het nog geruime tijd op die plaats zal blijven staan (art. 3:3 j° 5:20 lid 1 sub e BW). En ook voor de vraag of een zaak bestanddeel uitmaakt van een andere (hoofd)zaak, geldt dat gekeken dient te worden of deze zaken naar verkeersopvatting als één zaak te gelden hebben. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend is, is er sprake van bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 j° 5:3 BW.
Er is echter één onroerende zaak waarbij de grenzen van het eigendomsrecht niet bepaald worden door fysieke grenzen van die zaak, te weten de grond. De eigendomsgrens van een grondstuk is (meestal1 ) niet zichtbaar. In dit hoofdstuk staat natrekking in het platte vlak centraal. De hoofdvraag luidt:
“Kan in het platte vlak natrekking plaatsvinden?”
Ter beantwoording van deze vraag zal besproken worden hoe de grenzen aan het eigendomsrecht in het platte vlak bepaald worden. En in hoeverre de verkeersopvatting hierbij een rol speelt. Tevens zal ingegaan worden op de invloed van het vestigen en splitsen van beperkte, zakelijke rechten op het eigendomsrecht ten aanzien van een grondstuk.2
6.1 Begripsbepaling6.2 Het bepalen van de horizontale eigendomsgrenzen van grondstukken6.3 De vestiging van een beperkt recht op een gedeelte van een grondstuk6.4 De vestiging van een beperkt recht op een gedeelte van een beperkt recht dat rust op de grond6.5 Is het mogelijk een beperkt recht op een gedeelte van een grondstuk te hebben?6.6 Het splitsen van een beperkt recht dat rust op een grondstuk6.7 Splitsing van een recht van erfpacht op grond van art. 5:91 lid 2 BW6.8 De invloed van het splitsen van een recht van erfpacht op het onderliggende eigendomsrecht6.9 Kan een beperkt recht gevestigd worden op een bestanddeel van een onroerende zaak?6.10 Aangrenzend6.11 De casus van Verstappen