Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7:Hoofdstuk 7 Natrekking in het platte vlak op grond van verkrijging door verjaring
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7
Hoofdstuk 7 Natrekking in het platte vlak op grond van verkrijging door verjaring
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485496:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 34.
H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 34.
Het aan dit hoofdstuk ten grondslag liggende onderzoek is reeds gedeeltelijk als artikel gepubliceerd. Zie: ‘De invloed van verkrijgende verjaring op beperkte rechten die rusten op de grond’, NTBR 2015/35 (samen met M.E. Witting).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stellingen
Verkrijging door verjaring werkt ex nunc.
Bekrachtiging in de zin van art. 3:58 BW heeft geen terugwerkende kracht indien het gebrek in de overdracht of vestiging gelegen is in het achterwegen laten van het inschrijven van een notariële akte in de openbare registers.
Indien iemand door verjaring een stuk grond verkrijgt, vindt alleen natrekking van het onderliggende eigendomsrecht plaats indien zowel de verkrijgende bloot eigenaar als ‘zijn’ beperkt gerechtigde ervan uitgingen dat het aangrenzende stuk grond dat door verjaring werd verkregen mede bezwaard was met het beperkte recht.
Inleiding
In het voorgaande hoofdstuk is besproken hoe natrekking in het platte vlak plaatsvindt. Uiteengezet is dat de rechtstoestand hiervoor bepalend is. Stel dat A eigenaar is van een grondstuk, dat hij bezwaard heeft met een recht van hypotheek. Vervolgens verwerft A een aangrenzend grondstuk in eigendom. Dit nieuwverworven grondstuk wordt niet nagetrokken door A’s eerdere eigendomsrecht. De rechtstoestand is immers verschillend: het ene grondstuk heeft hij in bloot eigendom, terwijl hij ten aanzien van het andere grondstuk een vol eigendomsrecht heeft. Stel dat het hypotheekrecht op een zeker moment teniet gaat doordat bijvoorbeeld de vordering voldaan wordt tot zekerheid waarvan het recht van hypotheek gevestigd is (en er gaan andere beperkte rechten op de grondstukken rusten), dan is de rechtstoestand van beide grondstukken hetzelfde en vindt er natrekking plaats, in die zin dat het één eigendomsrecht wordt.1
De vraag is of dit tevens geldt wanneer A het aangrenzende grondstuk niet verwerft door overdracht, maar door verjaring. Stel dat A een grondstuk in volle eigendom heeft. A verkeert in de (onjuiste) veronderstelling dat een strook grond, die hij in bezit heeft, tot zijn eigendom behoort. Deze strook behoort juridisch echter in eigendom toe aan buurman B. Na voltooiing van de verjaring, verkrijgt A de eigendom van de strook grond. Wanneer A zijn grondstuk in volle eigendom heeft zal hetgeen hij (tevens in volle eigendom) door verjaring verkregen heeft, nagetrokken worden in die zin dat zijn eigendomsrecht, mede het door verjaring verkregene gaat omvatten. Maar hoe zit het indien A een recht van hypotheek gevestigd heeft op zijn grondstuk? Omvat dit ook hetgeen hij door verjaring verkregen heeft? En wat gebeurt er als ook B een recht van hypotheek gevestigd heeft op de strook grond, waarvan hij door verjaring de eigendom verliest? Deze vraag werd opgeworpen door Heyman en Bartels2 en zal in dit hoofdstuk besproken worden.
In het bovenstaande wordt een recht van hypotheek als voorbeeld genomen, maar ook hetzelfde geldt voor andere beperkte, zakelijke rechten die rusten op de grond. Indien een beperkt recht zich mede uit gaat strekken over hetgeen door verjaring verkregen wordt, lijkt dit in grote mate op natrekking, behalve dat van natrekking sprake is indien sprake is van uitbreiding van het eigendomsrecht op een zaak en niet van andere zakelijke rechten.
De vraag die centraal staat in dit hoofdstuk is:
“Kan natrekking in het platte vlak plaatsvinden op grond van verkrijging door verjaring?”3
7.1 Verjaring7.2 De ratio van verjaring7.3 De invloed van verkrijging door verjaring op een op het verkregene gevestigd recht van hypotheek7.4 Bekrachtiging (art. 3:58 BW)7.5 De casus7.6 Bekrachtiging werkt niet altijd ex tunc7.7 Bekrachtiging en de rechten van derden (art. 3:58 lid 3 BW)7.8 De invloed van verkrijging door verjaring op andere beperkte rechten dan het hypotheekrecht die rusten op de grond