Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/381:381 Bedoeling van de wetgever
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/381
381 Bedoeling van de wetgever
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 12-05-2026
- Datum
12-05-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD105651:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 311. Deze aanwijzing is ook gesignaleerd door Snijders 1999, p. 584 en Blomkwist 1992, p. 906.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 840. Deze aanwijzing is eerder gesignaleerd door Blomkwist 1992, p. 906-907.
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1197.
Zo ook Snijders 2002, p. 29-30.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de ontwerper van het BW of de wetgever over deze kwestie goed heeft nagedacht, is het om de hiervoor genoemde redenen niet aannemelijk dat de wetgever bedoeld heeft dat de inningsbevoegde pandhouder de van de verpande vordering afhankelijke zekerheidsrechten niet kan uitoefenen. In de wetsgeschiedenis zijn twee summiere aanwijzingen te vinden dat de wetgever wel bedoeld heeft de pandhouder het recht te geven de aan de verpande vordering verbonden afhankelijke zekerheidsrechten uit te oefenen. De eerste aanwijzing is dat de minister bij de behandeling van art. 3:81 lid 3 BW overweegt dat het door vermenging tenietgaan van een hypotheekrecht aan uitoefening van dat recht door de houder van een pandrecht op de door het hypotheekrecht verzekerde vordering niet in de weg staat.1
De tweede aanwijzing is dat de minister er bij de behandeling van art. 3:274 BW vanuit lijkt te gaan dat een hypotheekrecht kan worden uitgeoefend door de houder van een pandrecht op de door het hypotheekrecht verzekerde vordering. Art. 3:274 BW verplicht de schuldeiser van een hypothecair verzekerde vordering aan de hypotheekgever een verklaring van het vervallen zijn van het hypotheekrecht af te geven. Dezelfde verplichting legt het artikel op aan de houder van een beperkt recht op de hypothecair verzekerde vordering. Door in zijn overwegingen over de verplichting van de beperkt gerechtigde ook de pandhouder te betrekken, suggereert de minister dat een hypotheekrecht kan worden uitgeoefend door de houder van een pandrecht op de verzekerde vordering.2 Mede op grond van deze twee aanwijzingen is het aannemelijk dat de wetgever bedoeld heeft de pandgever in staat te stellen zich bij de inning van een aan hem verpande vordering op de van die vordering afhankelijke zekerheidsrechten te beroepen.
Een andere reden om aan te nemen dat een beroep op de van een verpande vordering afhankelijke zekerheidsrechten aan de pandhouder toekomt, is de ‘toezegging’ van de wetgever dat de onder het oude recht gangbare financieringspatronen onder het huidige recht gecontinueerd zouden kunnen worden.3 Deze toezegging van de wetgever is een sterke aanwijzing dat in geval van onduidelijkheid over de vraag of bepaalde rechten die onder het oude recht aan de fiduciair eigenaar toekwamen thans aan de pandhouder toekomen, mag worden geconcludeerd dat dit inderdaad zo is.4