Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.8.1.1
3.8.1.1 Achtergrond waartegen kwade trouw invulling heeft gekregen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565016:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
P.J.A. Adriani, De wetten op de vermogensbelasting en verdedigingsbelasting I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1935, p. 445. Dit uitgangspunt is herhaald inKamerstukken II 1989/90, 21058, 6 (MvA), p. 18.
De mogelijkheid daargelaten om onjuiste verrekening van voorheffingen of voorlopige aanslagen te corrigeren.
Kamerstukken II 1988/89, 21058, 2 (Voorstel van wet), p. 3.
Kamerstukken II 1993/94, 21058, 16 (Amendementen van het lid Vermeend c.s.), p. 1.
Handelingen II 1993/94, p. 4178 en 4183 (24 februari 1994).
Kamerstukken II 1993/94, 21058, 16 (Amendementen van het lid Vermeend c.s.), p. 2.
Mededeling SvF 31 mei 1994, nr. DOZ DGM 437, V-N 1994/2217, 5.
HR 11 juni 1997 BNB 1997/384, r.o. 3.4.
HR 14 juni 2000 BNB 2000/299, ECLI:NL:HR:2000:AA6204, r.o. 3.2.
Bij aanslagbelastingen stelt de inspecteur aan de hand van de belastingaangifte de belastingschuld vast door een definitieve aanslag op te leggen. Als later blijkt dat met de definitieve aanslag te weinig belasting is geheven, kan de inspecteur door middel van een navorderingsaanslag van de eerdere vaststelling van de belastingschuld afwijken.
Bij de invoering van de bevoegdheid tot navordering vormde de rechtszekerheid die de belastingplichtige door de ontvangst van de definitieve aanslag over het belastingbedrag verkreeg volgens de wetgever een belangrijk uitgangspunt.1 Als gevolg hiervan is navordering bij aanslagbelastingen oorspronkelijk in beginsel alleen mogelijk geweest als er sprake is van een zogenoemd nieuw feit.2 Onder een nieuw feit wordt een feit verstaan dat de inspecteur bij de aanslagregeling niet bekend was of hem redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn. De omstandigheid dat de belastingplichtige zich ervan bewust was dat de aanslag onjuist was, al dan niet omdat hij zich ervan bewust was dat zijn aangifte ook onjuist was geweest, is voor de bevoegdheid om na te vorderen lange tijd niet relevant geweest.
In de jaren ‘80 en ‘90 van de vorige eeuw heeft de wetgever besloten de bescherming die de belastingplichtige door het vereiste van het nieuwe feit kreeg te beperken. In de oorspronkelijke versie van het wetsvoorstel hiertoe werd voorgesteld dit vereiste te laten vervallen in situaties waarin de belastingplichtige wist of behoorde te weten dat te weinig belasting was geheven. 3 De huidige wettekst van art. 16 AWR is naar aanleiding van een amendement ontstaan. Hierin is bepaald dat voor navordering geen nieuw feit is vereist als de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.4 De indieners van het amendement veronderstelden dat kwade trouw opzet inhield,5 maar meenden voorts dat invulling van het begrip kwade trouw aan de jurisprudentie moest worden overgelaten.6
De Staatssecretaris van Financiën ging er in een mededeling over het aangepaste artikel 16 AWR aanvankelijk nog van uit dat grove schuld voor kwade trouw voldoende was.7 De belastingkamer van de Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat onder kwade trouw uitsluitend opzet kan worden verstaan,8 waaronder ook voorwaardelijk opzet kan worden begrepen.9