Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.5
9.5 Beperkte rechtsontwikkeling ten aanzien van kennisversplintering in Nederland
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS593837:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 november 1987, NJ 1988/139 (gemeente ’s-Gravenhage/Bensal en Bohemen).
HR 9 januari 1998, NJ 1998/586 (erven Van Dam/Rabobank Gorredijk).
HR 11 maart 2005, NJ 2005/576 (P&F Project Furniture/Peper en De Hart).
Rb Breda 14 september 1982, NJ 1983/562 (Procedo/Vilenzo); HR 9 januari 1998, NJ 1998/586 (erven Van Dam/Rabobank Gorredijk); Hof Arnhem 14 oktober 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG2098 (Hoogenboom/Nijmidon).
Bijvoorbeeld Hof Arnhem 30 oktober 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB7410 (pachter/Uden); Hof Amsterdam 22 mei 2008, JBO 2008/4 (Staat/Kuwait Petroleum); Rb Rotterdam 14 december 2011, JM 2012/47 (Opgehoogde loods); Rb Amsterda 26 september 2012, JOR 2013/282 (curatoren/Banning). Enige nadere motivering voor de toerekening van kennis in laatstgenoemde zaak is wel te vinden in een volgend tussenvonnis, Rb Amsterdam 23 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1585, r.o. 3.2.3 (c). Kantoorgenoten van mij treden op voor gedaagden in die zaak.
Welke factoren in welke uitspraak worden genoemd, komt aan de orde in par. 9.12 en 9.13.
Besproken in par. 7.12.
Timmerman 2000, p. 125-126; Hoekzema 2000, p. 107-110 en 206-208; Lennarts 2002, p. 59-61; noot Spanjaard onder Idee 2 in Ondernemingsrecht 2005/145; Verbunt & Van den Heuvel 2007, p. 218; De Valk 2009, p. 65-66.
Hoekzema 2000, p. 110-112.
Noot Mendel in NJ 1998/586 onder Rabobank Gorredijk; noot Loesberg in JOR 1998/47 onder Rabobank Gorredijk; Klaassen 1999 (t.a.v. Rabobank Gorredijk); noot Spanjaard onder Idee 2 in Ondernemingsrecht 2005/145; noot Tjong Tjin Tai onder HR 3 februari 2012, NJ 2012/390 (Fujitsu/Excel). Haagse gasfabriek en Idee 2 zijn niet in NJ of JOR geannoteerd en bij mijn weten zijn de ‘kennisversplinteringaspecten’ van deze arresten ook niet elders in detail besproken.
Noot Meijers onder HR 28 februari 1930, NJ 1930, p. 1258 (Engelvaart/Brusselsche Bank), besproken bij randnummer 156; Böhtlingk 1954, p. 62; Hoekzema 2000, p. 177-181; De Graaf 2000, p. 107-108; Lennarts 2002, p. 60-61.
Tjittes 2001b.
Veel meer mag ook niet verwacht worden van de schriftelijke neerlegging van een lezing – naar haar aard beperkt in omvang – waarin zowel interne als externe kennis wordt behandeld, en zowel de toerekening aan natuurlijke personen als aan organisaties.
303. In Nederland heeft het verschijnsel kennisversplintering nog maar weinig aandacht gehad. Jurisprudentie en literatuur over dit onderwerp zijn schaars en geven een diffuus beeld. Er zijn enkele belangwekkende uitspraken van de Hoge Raad, in het bijzonder Haagse gasfabriek1, RabobankGorredijk2 en Idee 23, maar een algemene leer inzake kennisversplintering is daarin niet ontwikkeld. Een grondslag voor de toerekening van kennis wordt zelden genoemd. De Hoge Raad hanteert in Idee 2 het Babbel-criterium, geplaatst binnen het kader van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij, maar in de andere twee arresten wordt over de verkeersopvattingen niet gerept. In sommige uitspraken, ook van lagere rechters, wordt een zekere plicht aangenomen tot het zorgen voor een adequate interne informatie-uitwisseling.4 Een enkele maal neemt een rechtbank of hof eenvoudigweg een risicoverdeling tussen partijen aan, zonder (meer dan summierlijk) te motiveren waarom het beroep van de rechtspersoon op de onwetendheid van de handelende functionaris niet wordt gehonoreerd.5 Een eenduidige conclusie over de factoren, gezichtspunten of omstandigheden waaraan de rechter gewicht toekent in zijn afweging, is niet te trekken op basis van de jurisprudentie.6
304. Beschouwingen in de Nederlandse rechtsliteratuur over toerekening van kennis beperken zich doorgaans tot gevallen waarin de wetende functionaris zelf rechtstreeks betrokken is bij de te beoordelen rechtsverhouding – en er dus geen sprake is van kennisversplintering. Onder verwijzing naar de arresten inzake exoneratieclausules en regres op de werkgever7 noemen auteurs de strekking van de norm en de positie van de wetende functionaris (rang, zelfstandigheid) als bepalende factoren bij de beoordeling van deze gevallen.8 Hoekzema voegt daaraan de – nietszeggende – factor toe van ‘het concrete gedrag en de overige omstandigheden van het geval’.9 Geen van deze auteurs bespreekt echter of die factoren maken dat de kennis van een functionaris die niet is betrokken bij de rechtsverhouding, mag worden ‘opgeteld’ bij de kennis van de handelende functionaris. Opmerkingen in de literatuur over kennisversplintering beperken zich veelal tot commentaren op individuele arresten.10 Enkele auteurs hebben een beschouwing gewijd aan het fenomeen kennisversplintering in het kader van publicaties over verwante onderwerpen; soms betreft het niet meer dan een losse opmerking.11 De enige uitzondering hierop is de Offerhauskring-lezing van Tjittes12, maar daarin vormt kennisversplintering slechts een van de vele deelonderwerpen. Er wordt geen alomvattende theorie gepresenteerd; wel worden daar bouwstenen voor aangereikt.13
In het Duitse recht is bijzonder veel gepubliceerd over kennisversplintering. Mede gezien de geringe aandacht voor dit thema in de Nederlandse rechtspraak en literatuur, heeft het meerwaarde om te beschouwen hoe Duits recht daarmee omgaat. Dat gebeurt in de volgende paragraaf. Daarna zal ik, de vruchten plukkend van de ontwikkelingen in het Duitse recht, weergeven hoe gevallen van kennisversplintering in mijn visie naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld. Daar zullen de Nederlandse jurisprudentie en literatuur in meer detail aan bod komen.