Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/4.2
4.2 Hoofdlijnen van doorwerking
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015,
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS598750:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 288 VWEU
Zie bijv. HvJEG 26 juni 2003, C-233/00 (Commissie/Frankrijk), r.ov. 76; HvJEG 9 september 1999, C-217/97 (Commissie/Duitsland), r.ov. 32; HvJEG 30 november 2006, C-32/05, (Commissie/Luxemburg), r.ov. 34. Zie ook art. 47 Handvest.
Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 111, slot, onder verwijzing naar HvJEG 16 december 1976, C-33/76 (Rewe) en HvJEG 20 september 2001, C-453/99 (Courage/Crehan) en de voorbeelden uit de daarna volgende randnummers. Zie ook Keus 2010, p. 61-66.
Dat is bijvoorbeeld het geval bij verschillende onderdelen van de prudent person- regel (art. 18 Pensioenrichtlijn) en bij verschillende onderdelen van de uitbestedingsregels voor beleggingsondernemingen (art. 14, lid 2, Uitvoeringsrichtlijn MiFID).
Een voorbeeld is de bepaling in de Pensioenrichtlijn dat pensioenfondsen “een beleggingsbeleid moeten voeren dat in overeenstemming ismet de “prudent person”-regel en met name met de volgende voorschriften: (…)”. Die bepaling maakt duidelijk dat de hoofdnorm (een beleggingsbeleid conform de prudent person-regel) een open norm is. Een ander voorbeeld is het voorschrift dat beleggingsondernemingen bij de uitbesteding van werkzaamheden “de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid aan de dag [dienen] te leggen” (art. 14, lid 2, aanhef, Uitvoeringsrichtlijn MiFID. Ook de loyaliteitsverplichting die op beleggingsondernemingen rust (art. 19, lid 1, MiFID) is een goed voorbeeld.
Bijv. HvJEG 9 november 1999, C-365/97 (Commissie/Italië), r.ov. 67-68 en (in een zaak in de financiële sector) HvJEU 30 mei 2013, C-604/11, JOR 2013/274, m.nt. Busch en AA 2013, p. 667-672, m.nt. Busch (Génil/Bankinter), r.ov. 57.
Lidstaten zijn overigens niet geheel vrij in het bieden van verdergaande bescherming. Een verdergaande bescherming mag geen inbreuk vormen op de (direct werkende) bepalingen van het VWEU (zie Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 177).
Zie Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 177. Zie bijv. ook Rb Rotterdam 16 januari 2015, JOR 2015/166 (binaire opties).
Zie Kristen 2004, p. 42-58 en de daargenoemde verwijzingen en Borgers 2008.
Grundmann-van de Krol 2009, p. 53-56; Moloney 2014, p. 28; Europese Commissie Background Note for the draft implementing Directive 2006, p. 6-7 (par. 2.2). Voorzichtiger is Tison 2010.
Zo staat in Overweging 6 van de preambule van de richtlijn te lezen dat de richtlijn “een eerste stap vormt op de weg naar een op Europese schaal georganiseerde interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening”. Het gecursiveerde deel maakt duidelijk dat het om minimumharmonisatie gaat.Dat sluit overigens niet uit dat sommige bepalingen van de richtlijn wél in maximumharmonisatie voorzien. Zo bepaalt art. 18, lid 4 van de richtlijn dat lidstaten geen voorafgaande goedkeuring aan of systematische kennisgeving van beleggingsbesluiten mogen eisen.
Art. 18, lid 5, Pensioenrichtlijn.
Zie Mak 2009, p. 58-61, Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 178 en Barents & Brinkhorst 2012, nr. 393-394.
HvJEU 30 mei 2013, C-604/11, JOR 2013/274, m.nt. Busch en AA 2013, p. 667-672, m.nt. Busch (Génil/Bankinter), r.ov. 57 en 58. Evenzo HvJEU 19 december 2013, C-174/12 (Immofinanz), r.ov. 41. Dit is overigens vaste rechtspraak, zie bijv. HvJEG 16 december 1976, C-33/76 (Rewe), HvJEG 20 september 2001, C-453/99 (Courage/ Crehan) en HvJEU 9 december 2010, C-568/08 (Spijker Infrabouw).In het citaat is in plaats van de term “effectiviteitsbeginsel”, de term “doeltreffendheidsbeginsel” gebruikt. Daarmee wordt hetzelfde bedoeld. Met het gelijkwaardigheidsbeginsel wordt bedoeld dat de procedureregels voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die een particulier aan een richtlijn ontleend, niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vordering.
HvJEG 10 april 1983, C-14/83 (Von Colson en Kamann) en HvJEG 2 augustus 1993, C-271/91 (Marshall II). In de laatste zaak oordeelde het Hof dat de volle werking van de betreffende richtlijn vereiste dat een “reële en effectieve schadevergoeding” kon worden gevorderd. Voor andere voorbeelden van doorwerking van richtlijnen in het privaatrecht, ook met betrekking tot andere onderwerpen dan schadevergoeding, zie Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 111-124.
Ik ga verder niet in op de gevolgen van niet-correcte omzetting van richtlijnen. Ik wijs er slechts op dat een niet-correcte omzetting kan leiden tot een inbreukprocedure van de Europese Commissie tegen de lidstaat (art. 260, lid 2, VWEU).
Kamerstukken II, 2013-2014, 33972, nr. 3, p. 38. (voetnoot 341). Zie ook Barents & Brinkhorst 2012, p. 165.
Zie bijv. HvJEG 26 februari 1986, C-152/84 (Marshall I). Anders gezegd: een richtlijn heeft geen directe horizontale werking. Dit ligt overigens anders in verticale verhoudingen, waarbij de overheid een overeenkomst heeft gesloten met een particulier, omdat de overheid niet mag profiteren van haar eigen nalatigheid. Zie uitgebreid: Prinssen 2004, par. 6.13.6.
De verplichting tot richtlijnconforme interpretatie is niet beperkt tot de nationale omzettingswetgeving, maar betreft het gehele nationale recht (zie bijv. HvJEG 25 oktober 2005, C-350/03 (Schulte)). Voor de grenzen aan een richtlijnconforme uitleg: zie Prinsen, nr. 6.13.2.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33972, nr. 3, p. 38. (voetnoot 341). Zie ook Barents & Brinkhorst 2012, nr. 126.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33972, nr. 3, p. 38. (voetnoot 341). Zie ook Barents & Brinkhorst 2012, nr. 124-126.
Zie par. 6.2.
Richtlijnen krijgen hun werking primair via hun omzetting in nationaal recht. Een richtlijn is “verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen”.1 Lidstaten moeten ervoor zorgen dat de omzettingsregels de volle werking van de richtlijn verzekeren. Dit heet het “effectiviteitsbeginsel“ dat ook wel het “doeltreffendheidsbeginsel”, “eis van nuttig effect” of “eis van effet utile” wordt genoemd. Deze eis houdt onder meer in dat “ingeval de richtlijn rechten voor particulieren in het leven beoogt te roepen, de begunstigden al hun rechten kunnen kennen en ze zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden”.2 Dat stelt eisen aan de toegankelijkheid van een rechterlijke procedure, maar ook aan de uitwerking bij de implementatie.3 Veelal is een letterlijke omzetting van de richtlijn vereist, wanneer de richtlijn nauwkeurige resultaten voorschrijft.4 In andere gevallen moeten lidstaten niet nader omschreven maatregelen nemen om algemene en niet-kwantificeerbare doeleinden te bereiken.5 In die gevallen beschikken lidstaten over een zekere beoordelingsruimte.6
De speelruimte van de lidstaat wordt verder bepaald door de vraag of de richtlijn voorziet in minimum- of maximumharmonisatie. In het geval van minimumharmonisatie stelt de richtlijn de minimale eisen aan de nationale regelgeving, bijvoorbeeld ten aanzien van consumentenbescherming. Het staat een lidstaat dan vrij om in haar nationale recht in een hoger beschermingsniveau te voorzien.7
In het geval van maximumharmonisatie is die speelruimte er niet. Met de richtlijn wordt dan een maximale harmonisatie van de nationale regels beoogt. Lidstaten mogen dan géén verdergaande bescherming bieden. De richtlijn vormt in zulke gevallen reeds zelf een afweging tussen de belangen van de te beschermen particulier en die van de ondernemer, welk evenwicht niet door nationale regels mag worden verstoord. Ook kan het zijn dat voor maximumharmonisatie is gekozen omdat verdergaande bescherming de harmonisering van het recht van de lidstaten te zeer beperkt en concurrentieverstorend werkt.8
Vaak ontbreekt in een richtlijn een bepaling of de richtlijn in minimum- of maximumharmonisatie voorziet. Dit moet dan worden bepaald aan de hand van de doelstelling, rechtsgrondslag, bewoordingen en mate van detail van de richtlijn, alsmede de aan- of afwezigheid van een expliciete afwijkingsbevoegdheid.9 Van de MiFID en de Uitvoeringsrichtlijn MiFID wordt algemeen aanvaard dat ze in verregaande mate in maximumharmonisatie voorzien.10 Voor de Pensioenrichtlijn is algemeen geaccepteerd dat ze overwegend in minimumharmonisatie voorziet.11 De prudent person-regel zit daar echter tussenin: ze is niet maximumharmoniserend, maar er zijn strikte beperkingen gesteld aan de aanvullende eisen die lidstaten mogen stellen.12
De vraag of een richtlijn voorziet in minimum- of maximumharmonisatie, moet men onderscheiden van de vraag of de richtlijn een bepaald onderwerp uitputtend regelt. Voor zover een richtlijn een bepaald onderwerp niet uitputtend regelt, is het een lidstaat toegestaan om dat onderwerp zelf te regelen, ook als het een maximumharmoniserende richtlijn betreft.13
Zo regelen de MiFID en de Uitvoeringsrichtlijn MiFID tamelijk gedetailleerd de bescherming die lidstaten aan beleggers moeten verzekeren. De civielrechtelijke doorwerking regelen zij niet. De civielrechtelijke gevolgen blijven daarmee het terrein van nationale regels. Lidstaten zijn in beginsel vrij bij het stellen van regels ten aanzien van zulke onderwerpen.
Toch is ook hier de vrijheid van lidstaten begrensd. De belangrijkste voorwaarde is dat zulke nationale regels de volle werking van richtlijnen niet belemmeren: “Bij ontstentenis van een Unieregeling is het een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de contractuele gevolgen van de niet-nakoming van deze verplichtingen vast te stellen, met inachtneming van het gelijkwaardigheids- en het [effectiviteitsbeginsel]”.14
Dit stelt niet enkel eisen aan regels van procesrecht, maar ook aan regels van materiële aard, zoals die inzake de omvang van een schadevergoeding. Zo bleek een wettelijke regeling op grond waarvan een benadeelde van een schending van unieregels slechts aanspraak heeft op vergoeding van diens negatieve belang of tot een in de wet opgenomen maximum, in strijd te zijn met het effectiviteitsbeginsel.15
Is de richtlijn eenmaal (correct) omgezet, dan gelden (slechts) de implementatievoorschriften.16 De omzetting van een richtlijn kan bij wet geschieden, maar dat is niet nodig. Ook de beleidsregels van een toezichthouder kunnen de implementatie vormen van een richtlijn.17
Een particulier kan rechten tegenover een andere particulier niet rechtstreeks aan een richtlijn ontlenen.18 Op grond van het effectiviteitsbeginsel is de rechter niettemin gehouden om het nationale recht zo veel als mogelijk richtlijnconform uit te leggen.19 Hij is namelijk onderdeel van de lidstaat.20
Voor de (financiële) toezichthouder ligt dit niet anders. Ook hij is onderdeel van de lidstaat en dus gehouden om bij handhavingsactiviteiten (bijvoorbeeld ten aanzien van privaatrechtelijke handelingen van een onderneming) een richtlijnconforme uitleg aan de omzettingsbepalingen te geven.21 Tot slot wijs ik er nog op dat lidstaten op grond van het effectiviteitsbeginsel verplicht zijn tot het daadwerkelijk handhaven van het geharmoniseerde recht. Het staat lidstaten niet vrij om inbreuken daarop niet te sanctioneren of een soort gedoogbeleid te voeren.22