Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/4.3.2
4.3.2 Fiscaliteit en het beroep: vennootschapsbelasting
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390346:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wuisman 2011, p. 263.
En ook de waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer is aan strenge regels onderhevig.
Dit was het tarief in 2016.
De effectieve Vpb-druk is doorgaans lager dan het wettelijk tarief suggereert omdat, zoals gezegd, ondernemingen gebruikmaken van bepaalde fiscale faciliteiten.
De dividenduitkering valt dus of in box 3 onder de vermogensrendementsheffing (wanneer de aandeelhouder minder dan 5% van de aandelen heeft) of in box 2 als inkomsten uit aanmerkelijk belang (wanneer de aandeelhouder ten minste 5% van de aandelen van de vennootschap houdt) in de inkomstenbelasting. De heffing in box 3 heeft als gevolg dat het dividend als zodanig niet wordt belast maar wordt meegenomen in het fictief rendement van box 3. Zie ook paragraaf 4.3.1.
In grotere samenwerkingsverbanden wordt vaak gewerkt met een zogenoemde (winstafhankelijke) managementfee. De praktijkvennootschap van de beroepsbeoefenaar schrijft dan een factuur uit (voor zijn dienstverlening) aan het samenwerkingsverband (de holding) en laat zijn praktijkvennootschap hem maandelijks een salaris uitbetalen. Dit salaris dient een zogenoemd ‘gebruikelijk’ loon te zijn en wordt belast in de loonbelasting.
Furer e.a. 2010, p. 189.
Eerden 2010, p. 4.
Van der Geld 2014, p. 155.
Van der Geld 2014, p. 157.
In het navolgende wordt uitgegaan van een moeder-dochterstructuur van kapitaalvennootschappen. De deelnemingsvrijstelling bij de coöperatie wordt besproken paragraaf 4.5.
Van der Geld 2014, p. 155.
Ook wel de niet-kwalificerende beleggingsdeelneming genoemd. Zie Van der Geld 2011, p. 174.
Van der Geld 2014, p. 174.
Onder de naam vennootschapsbelasting wordt een directe belasting geheven van de verschillende (in Nederland gevestigde) rechtspersonen, waaronder de BV, de NV en de coöperatie.1 Kenmerkend voor de bestaande vennootschapsbelasting is het klassieke stelsel. Dit stelsel gaat uit van een zelfstandige belastingplicht van de rechtspersoon. Daarnaast houdt dit stelsel in dat de winst van de rechtspersoon wordt bepaald ongeacht de uitkeringen aan aandeelhouders.2
Het belastbare bedrag voor de vennootschapsbelasting is de belastbare winst verminderd met de te verrekenen verliezen. Wat betreft het winstbegrip wordt in beginsel aangesloten bij de Wet IB 2001 (artikel 8.1 Wet Vpb 1969). Dit is de winst verminderd met de aftrekbare giften.3 In de Wet Vpb 1969 spelen de regelingen ten aanzien van de persoonlijke ondernemersfaciliteiten geen rol.4
Wel kent de vennootschapsbelasting een aantal eigen fiscale faciliteiten waar belastingplichtigen gebruik van kunnen maken.5
Het tarief voor de vennootschapsbelasting is zo goed als proportioneel. Over de eerste 200.000 euro wordt 20% belasting geheven.6 Boven dat bedrag bedraagt het tarief 25%.7
Wanneer de BV of NV vervolgens de resterende winst als dividend uitkeert aan haar aandeelhouders (de vrije beroepsbeoefenaren), dient zij daarop 15% dividendbelasting in te houden. De aandeelhouders met een aanmerkelijk belang zijn vervolgens 25% inkomstenbelasting verschuldigd over het bruto dividend (box 2) waarmee de ingehouden dividendbelasting door hen kan worden verrekend. Over de winst wordt dus twee keer geheven: eerst vennootschapsbelasting en daarna inkomstenbelasting. Dit wordt economisch dubbele belastingheffing genoemd. Voor beroepsbeoefenaren die samenwerken in de BV, NV of coöperatie betekent dit dus dat zij, zoals gezegd, zowel met de vennootschapsbelasting in aanraking komen (de rechtsvorm zelf is daarvan subject) als met de inkomstenbelasting (voor de inkomsten die zij uit hun aandelen verkrijgen8).
Bij gebruikmaking van de BV- of NV-vorm voor de beroepsuitoefening maakt de beroepsbeoefenaar zich vaak werknemer van zijn vennootschap (of via houdsterstructuren9). Dit betekent dat hij naast de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting ook te maken krijgt met de loonbelasting. De loonbelasting is echter, net als de dividendbelasting, te verrekenen met de inkomstenbelasting.10 Zowel de loonbelasting als de dividendbelasting is immers aan te merken als voorheffing op de inkomstenbelasting.11
Voor de coöperatie geldt (naast de algemene regels van de vennootschapsbelasting) een aantal bijzondere regels. Daarover meer in paragraaf 4.5.
Zoals gezegd, kent de Wet Vbp 1969 een aantal faciliteiten. De belangrijkste daarvan is de deelnemingsvrijstelling. Deze faciliteit speelt een rol wanneer er sprake is van een structuur van meerdere vennootschappen (rechtspersonen) en stelt een daartoe kwalificerende (tussen)houdstervennootschap voor alle voordelen uit hoofde van haar deelneming in een kwalificerende dochtermaatschappij vrij bij het bepalen van de fiscale winst.12 De ratio van de deelnemingsvrijstelling ligt in de zogenoemde verlengstukgedachte. Deze houdt in dat men meervoudige heffing van winstbelasting binnen een moeder-dochterstructuur als ongewenst beschouwt wanneer de dochtermaatschappij als een verlengstuk van de moedermaatschappij kan worden gezien.13 Simpel gezegd: om dubbele belastingheffing te voorkomen wordt er, binnen de structuur, maar één keer geheven over de winst. Omdat ervan uit wordt gegaan dat in een moeder-dochterverhouding de winst wordt gemaakt in de dochtervennootschap, wordt er op basis van de deelnemingsvrijstelling dan ook alleen op dat niveau belasting geheven over die winst; de winst bij de ‘hogere’ vennootschap is dan vrijgesteld.
Alle Vpb-plichtige lichamen kunnen de deelnemingsvrijstelling genieten (moedersubject zijn) en moeten dit ook wanneer zij hiervoor kwalificeren: de deelnemingsvrijstelling is een imperatieve regeling, er is geen keuzerecht. Voor alle deelnemingen gelden twee eisen om de deelnemingsvrijstelling te genieten (artikel 13 lid 1 Wet Vpb 1969). Allereerst moet er sprake zijn van een kwalificerende moeder-dochterverhouding.14 De moedermaatschappij moet ten minste 5% van het nominaal gestort kapitaal van de dochtermaatschappij bezitten.15 Hiermee heeft de wetgever op forfaitaire wijze onderscheid willen aanbrengen tussen beleggen (waarvoor geen deelnemingsvrijstelling wordt gegeven) en deelnemen (waarvoor de deelnemingsvrijstelling is bedoeld). De andere eis ziet ook op dit gewenste onderscheid. De tweede eis is een negatief geformuleerde eis die inhoudt dat er geen sprake mag zijn van een laag-belaste beleggingsdeelneming.16 Kort gezegd wordt op basis van deze eis, geheel in lijn met de verlengstukgedachte, geen deelnemingsvrijstelling verleend voor participaties in lichamen die zich te veel met beleggen bezighouden en daarenboven onvoldoende belast worden.17 (Ook) bij de coöperatie speelt de deelnemingsvrijstelling een belangrijke rol. In paragraaf 4.5 wordt hier dieper op ingegaan.