Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/4.3.1.1
4.3.1.1 De beroepsbeoefenaar: onderneming, ondernemer en winst uit onderneming?
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386779:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Marres e.a. 2013 p. 60.
Dit is overigens niet de enige reden hiervoor. Twijfel kan ook bestaan met betrekking tot de vraag of er überhaupt voldaan wordt aan de criteria van het beroep. Daarnaast is het zo dat niet iedere beroepsbeoefenaar per definitie onder de fictie van art. 3.5 lid 2 Wet IB 2001 valt. Om voor het fiscaal ondernemerschap te kwalificeren moet een beroepsbeoefenaar enig ondernemersrisico lopen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er personeel in dienst is van de beroepsbeoefenaar. Zie voor een toelichting op dit criterium en andere criteria die een rol kunnen spelen bij het antwoord op de vraag of er sprake is van ondernemerschap Kamerstukken II 2009/2010, 32222, nr. 11.
Zie paragraaf 3.2.4 van de Wet IB 2001.
De zogenoemde pseudo-ondernemers, zoals de medegerechtigde tot het vermogen (bijvoorbeeld de commanditaire vennoot (zie art. 3.3 lid 1 sub a Wet IB 2001)), zie Marres e.a. 2013, p. 60.
Naast het feit dat zij als ondernemer worden aangemerkt, moet er ook worden voldaan aan in de wet genoemde voorwaarden om te kunnen opteren voor de verschillende ondernemersfaciliteiten.
Onderneming?
Winst uit onderneming is de eerste in de inkomstenbelasting genoemde bron van inkomen. De Wet IB 2001 geeft echter geen definitie van het begrip ‘onderneming’. ‘In de fiscale begripsvorming wordt onderneming omschreven als: een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, met behulp waarvan door middel van deelname aan het economische verkeer wordt beoogd winst te behalen’, aldus Marres e.a.1 Incidentele activiteiten en werkzaamheden die zich in de privésfeer afspelen, vormen dus geen onderneming. Met name omtrent het antwoord op de vraag of bij de uitoefening van een beroepspraktijk wordt voldaan aan het kapitaalvereiste, bestond in eerste instantie onzekerheid. Aan die onzekerheid heeft de fiscus met de fictiebepaling van artikel 3.5 lid 1 Wet IB 2001 een einde gemaakt: onder onderneming wordt mede verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep.
Ondernemer?
Zoals gezegd, is ondernemer voor de inkomstenbelasting in de eerste plaats de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming (artikel 3.4 Wet IB 2001). In beginsel valt de beroepsbeoefenaar niet onder dit begrip nu hij van oudsher samenwerkt in de maatschap en daarbij niet rechtstreeks wordt verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap, maar slechts aansprakelijk is voor gelijke delen (artikel 7A:1680 BW).2 Op grond van artikel 3.5 lid 2 Wet IB 2001 wordt (toch) ook de beroepsbeoefenaar door de fiscus gezien als ondernemer, tenminste voor de toepassing van de Wet IB 2001. Dit stelt de fiscus in staat om ook over de winst uit onderneming van beroepsbeoefenaren belasting te heffen.
Winst uit onderneming?
Belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijk bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen, verminderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling (artikel 3.2 Wet IB 2001). De ondernemersaftrek bestaat uit een vijftal ondernemersfaciliteiten: de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur -en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek.3 De MKB-winstvrijstelling bedraagt, wanneer de ondernemer aan het urencriterium4 voldoet, 14% van het gezamenlijk bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen, nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek. Zowel de ondernemersaftrek (ondernemersfaciliteiten) als de MKB-winstvrijstelling geldt als belangrijke factor bij de keuze voor het belastingregime van de inkomstenbelasting en dus voor de keuze van een rechtsvorm.
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er voor de inkomstenbelasting een onderscheid bestaat tussen het begrip ‘ondernemer’ en het begrip ‘onderneming’. Men hoeft voor de Wet IB 2001 geen ondernemer te zijn om winst uit onderneming te kunnen genieten (en daarover belasting te moeten betalen, zie artikel 3.3 lid 1 sub a Wet IB 2001). Het onderscheid tussen de ondernemer en de niet-ondernemer ligt in de hierboven genoemde fiscale faciliteiten die specifiek gelden voor ondernemers. Deze faciliteiten gelden niet voor belastingplichtigen die wel winst uit onderneming genieten, maar die niet voldoen aan de criteria van het ondernemersbegrip.5 Nu ook beroepsbeoefenaren voor de inkomstenbelasting als ondernemer aan te merken zijn, krijgen zij, wanneer ze samenwerken in een personenvennootschap, in deze hoedanigheid met de inkomstenbelasting te maken en hebben zij in beginsel6 recht op de ondernemersfaciliteiten.