Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/2.3.3
2.3.3 Duits recht
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS454442:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het regelt de dinglichen Rechte, de goederenrechtelijke rechten, welke zich niet noodzakelijkerwijs beperken tot zaken als object. MünchKommBGB/Gaier 2013 Einl. SachenR nr. 4-5; Parl. Gesch. Boek 3, p. 61-62; Prütting 2014, nr. 826; Staudinger/Seiler 2012 Einl. SachenR nr. 21. Anders: Jauernig/Jauernig 2011 §90 nr. 2 en Schulze/Dörner 2014 §90 nr. 4, die menen dat dingliche Rechte alleen op Sachen kunnen bestaan. Dit is onjuist, gezien het bestaan van §1068 e.v. en §1273 e.v. BGB die vruchtgebruik en pandrecht op rechten mogelijk maken. Vgl. de term zakenrecht onder het oud BW.
In de literatuur wordt vermeld dat dingliche Rechte absolute werking hebben, in tegenstelling tot relatieve rechten, die voortvloeien uit schuldrechtliche verhoudingen. Hierbij wordt direct de kanttekening geplaatst dat het onderscheid tussen absolute en relatieve werking niet zo scherp te maken is, zoals reeds aan de orde kwam. MünchKommBGB/Gaier 2013 Einl. SachenR nr. 4; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 Vorbem zu §§90-103, nr. 3; Staudinger/Seiler 2012 Einl. SachenR nr. 20; Zie ook Larenz/Wolf 2004 §13, nr. 11. Anders: Prütting 2014, nr. 917, waar wordt gesteld dat het bij vruchtgebruik op rechten niet om een dinglich recht maar om een absolut recht gaat.
Het begrip Gegenstand is daardoor vergelijkbaar met ons begrip goed, nu het zaken en vermogensrechten als unkörperliche Gegenstände, zoals intellectuele eigendomsrechten en vorderingen, omvat. Larenz/Wolf 2004 §20, nr. 1-6; MünchKommBGB/Stresemann 2012 §90 nr. 1-7; Palandt/Ellenberger 2015 Überbl v §90, nr. 2; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 Vorbem zu §§90-103 nr. 4-8; zie ook De Jong 2006, p. 47-48; Parl. Gesch. Boek 3, p. 61-62; Struycken 2007, p. 208-209.
Voorheen was dit wel anders, zie De Ruiter 1963, p. 28-33, onder verwijzing naar Sokolowski (1902, p. 392 e.v.) en Gierke (1905, p. 49 e.v.). Gierke (1905, p. 56, not 36) maakt er melding van dat in het Allgemeines Landrecht für die Preussischen Staaten het vermogen als rechtsobject gezien werd.
Baur & Stürner 2009, p. 39-40; Brehm & Berger 2014 §1 nr. 42 43, §27 nr. 3; Prütting 2014, nr. 23a-26; Wolf 2006, nr. 29. Staudinger/Seiler 2012, Einl. SachenR nr. 54, MünchKommBGB/Gaier 2013 Einl. SachenR nr. 21 en Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 24-25 lijken de Spezialitätsgrundsatz meer in de zin van bepaaldheid op te vatten. Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 831 ontkent het bestaan van de Spezialitätsgrundsatz.
Bülow 2012, nr. 91, 114, 475; Enneccerus/Nipperdey 1959, p. 769; Larenz/Wolf 2004 §20, nr. 37; MünchKommBGB/Stresemann 2012 §90 nr. 3, 40, 42; Oertmann 1932; Palandt/Ellenberger 2015 Überbl v §90, nr. 5; Sokolowski 1902, p. 384, 390; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §90 nr. 69, 73, 75; Wieacker 1943, p. 59; Wolf 1965, p. 13-15.
Enneccerus/Nipperdey 1959, p. 769; Oertmann 1932, p. 88; Wieacker 1943, p. 59; Wolff/Raiser 1957, p. 177-178, 521; Wolf 1965, p. 16.
Brehm & Berger 2014, §1, nr. 42; Larenz/Wolf 2004 §20, nr. 37; MünchKommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 7; Wiegand 1990, p. 116-117; Wieling 2007, p. 8.
Brinkmann 2011, p. 123; Larenz/Wolf 2004 §20, nr. 37; MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1035 nr. 1, §1085 nr. 1; MünchKommBGB/Schmidt 2013 §741 nr. 33, §1008 nr. 3; Paulus 1995, p. 188.
Rank-Berenschot 1992, p. 40-41.
Grädler 2012, p. 173-174; MünchKommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 7; Wiegand 1990.
MünchKommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 2.
Grädler 2012, p. 173-174; MünchKommBGB/Gaier 2013 Einl. SachenR nr. 21; MünchKommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 7; Staudinger/Seiler 2012, Einl. SachenR nr. 54.
Grädler 2012, p. 174; MünchKommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 7; Wilhelm 2010, nr. 20.
Wolf 1965.
Wolf 1965, p. 5, 13-16.
Wolf 1965, p. 18-19, zie ook p. 42.
Wolf 1965, p. 35-36. (Zie hierover paragraaf 1.3.1 en 4.3.2.2.)
Wolf 1965, p. 38-39, 41-42.
Wolf 1965, p. 42-45. Zoals uit paragraaf 2.2 bleek, heeft dit onderzoek betrekking op beide aspecten.
Larenz/Wolf 2004 §21, nr. 19.
Wolf 1965, p. 45-77. In paragraaf 5.4 ga ik hier dieper op in. Overigens zou deze onoverdraagbaarheid van afzonderlijke hypotheken in het Nederlandse recht verklaard kunnen worden vanuit de afhankelijkheid van het hypotheekrecht van de vordering waarvoor deze gevestigd is; zijn meerdere hypotheken tot zekerheid van dezelfde vordering gevestigd, dan volgen zij alle deze vordering.
Grädler 2012, p. 194-195.
22. Het Sachenrecht, het Duitse goederenrecht, beslaat – anders dan de naam wellicht doet vermoeden – hetzelfde terrein als het Nederlandse goederenrecht.1 De dingliche Rechte die in het Sachenrecht geregeld zijn, komen overeen met wat wij in het Nederlandse recht onder goederenrechtelijkerechten verstaan2 en rusten niet alleen op zaken (Sachen), maar ook op rechten (Rechte), tezamen Gegenstände genoemd.3
23. Het wordt tegenwoordig4 algemeen aangenomen dat het Duitse goederenrecht het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz of Spezialitätsprinzip) kent5 en dat het Bürgerliches Gesetzbuch (BGB) de algemeenheid van zaken (Sachgesamtheit) of goederen (Rechtsgesamtheit) niet als object van goederenrechtelijke rechten erkent.6 Met name in minder recente literatuur worden deze twee gegevenheden niet altijd met elkaar in verband gebracht. Het niet-erkennen van de algemeenheid als object lijkt dan veeleer voort te komen uit het feit dat de algemeenheid als zodanig niet aan de omschrijving uit §90 BGB van het begrip Sache voldoet.7 In meer recente literatuur wordt het niet-erkennen van de algemeenheid als object nu en dan wél in verband gebracht met het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz).8 Het algemene beeld dat uit de literatuur ontstaat, is dat de Spezialitätsgrundsatz inhoudt dat goederenrechtelijke rechten slechts op afzonderlijke objecten kunnen rusten, niet op meer objecten tegelijk – en ook niet op een algemeenheid.9
24. In de Duitse rechtsliteratuur is, meer dan in de Nederlandse literatuur, geschreven over mogelijke bestaansredenen van het uniciteitsbeginsel. Zo is wel geopperd dat een verklaring voor het bestaan van het uniciteitsbeginsel gelegen is in de heerschappijleer van Savigny, de leer dat het recht op een zaak gezien kan worden als heerschappij over de onvrije natuur.10 Aangezien heerschappij slechts voorstelbaar is over een deel van de onvrije natuur, een zelfstandige zaak, moeten goederenrechtelijke rechten en beschikkingen daarover ook daarop betrekking hebben.11 In paragraaf 2.2 heb ik echter laten zien dat uit het karakter van de goederenrechtelijke rechten niet de dwingende conclusie volgt dat zij slechts op afzonderlijke objecten kunnen bestaan. Het Franse recht, waar ik in de volgende paragraaf op inga, bewijst het tegendeel.
Een verklaring wordt ook wel gezocht in de Typenzwang (de numerus clausus van goederenrechtelijke rechten) en in het Traditionsprinzip (het principe dat voor overdracht levering is vereist en niet slechts wilsovereenstemming, zoals in het Franse recht).12 Bij deze verklaringen heeft men echter in wezen meer het oog op het bepaaldheidsvereiste dan op het uniciteitsbeginsel: uit de Typenzwang volgt een begrensd aantal goederenrechtelijke rechten, die volgens de wettelijke definitie alleen op afzonderlijke zaken mogelijk zijn. Vandaar dat voldoende duidelijk, bepaald, moet zijn waarop de beschikkingshandeling betrekking heeft, zo betoogt men. Dit vereiste van bepaaldheid wordt ook wel afgeleid uit het Traditionsprinzip: in beginsel is feitelijke overgave van de betreffende zaak nodig, maar dit kan ook vervangen worden door een andere handeling (bijv. een levering cp, zie paragraaf 4.3.2.2), mits voldoende duidelijk is waar de beschikking betrekking op heeft.13
Ook wordt wel het verband gelegd met wat wordt genoemd de Dogmatikdes Verfügungsgeschäfts: om te beschikken over een goed moeten de daarvoor gestelde vereisten vervuld worden. Zo moeten voor elk goed de leverings- of vestigingsformaliteiten vervuld worden en moet de vervreemder beschikkingsbevoegd zijn.14 Strikt genomen staat dit echter los van de vraag op hoeveel objecten het recht vervolgens – na beschikking – komt te rusten, zodat ook hierin de rechtvaardiging van het bestaan van het uniciteitsbeginsel mijns inziens niet gelegen kan zijn.
25. Een meer uitgebreid onderzoek naar de mogelijke redenen van het bestaan van het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz) en de functie ervan is verricht door Wolf. Hij heeft onderzoek gedaan naar de dinglichenGesamtrechte; goederenrechtelijke rechten die rusten, of althans lijken te rusten, op meerdere objecten.15 Allereerst maakt hij een belangrijk onderscheid tussen het geval waarin meerdere objecten samen zijn gevat tot één object, zoals bij de algemeenheden van zaken en goederen, en het geval waarin dat niet zo is, maar er mogelijk één recht op meerdere objecten rust. Over het eerste geval is hij relatief kort: het BGB erkent algemeenheden niet als object van goederenrechtelijke rechten. Erkenning van de algemeenheid van zaken of goederen als object is in strijd met het systeem van het BGB; het voldoet niet aan de definitie van Sache in §90 en zou leiden tot strijd met de Typenzwang.16
Waar zich een Gesamtrecht voordoet, kan het dus niet gaan om een recht op een algemeenheid als object. Blijft over de mogelijkheid dat het Gesamtrecht op meerdere objecten rust (dit noemt hij de eenheidstheorie) en de mogelijkheid dat het Gesamtrecht gezien moet worden als een bundel van afzonderlijke goederenrechtelijke rechten op afzonderlijke objecten (de veelheidstheorie). Slechts deze laatste optie is in overeenstemming met het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz), dat hij omschrijft als “eine Sache, ein dingliches Recht”. Hoewel deze korte omschrijving van het uniciteitsbeginsel naar mijn mening niet helemaal zuiver is – nu het best mogelijk is dat meerdere goederenrechtelijke rechten op één object rusten, maar het er juist om gaat dat een goederenrechtelijk recht altijd opslechts één object kan rusten – blijkt alleen al uit zijn omschrijving van de tegenstelling tussen de eenheids- en veelheidstheorie dat hij ook juist dat laatste bedoelt.17
Het vervolg van zijn boek wijdt Wolf aan het beantwoorden van de vraag of de Gesamtrechte in overeenstemming zijn met de eenheids- of de veelheidstheorie. Hij neemt daarbij het enige uitvoerig in het BGB geregelde Gesamtrecht, namelijk de Gesamthypothek, tot uitgangspunt. Wolf onderzoekt of het uniciteitsbeginsel uitsluitsel kan bieden. Hij constateert dat de term Spezialitätsgrundsatz op vele wijzen wordt gebruikt. Allereerst in de vorm van bepaaldheid. Hij stelt vast dat het bepaaldheidsvereiste geen rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van één of meer goederenrechtelijke rechten. Het bepaaldheidsvereiste heeft ten doel duidelijke rechtsverhoudingen te scheppen, en met name in het onroerende zakenrecht draagt het bij aan het functioneren van het publiciteitsbeginsel. Het bepaaldheidsvereiste heeft dus uitsluitend een beschrijvend karakter, maar zegt niets over de vraag hoe goederenrechtelijke rechten geconstrueerd zijn.18
Voorts is er het beginsel van uniciteit bij beschikken (Spezialität derVerfügungen), dat inhoudt dat een veelheid van objecten een veelheid van beschikkingen vereist. Ook dit beginsel zegt niets over het antwoord op de vraag of de eenheids- of veelheidstheorie geldt. Het beginsel van uniciteit bij beschikkingen is een uitdrukking van het feit dat de beschikkingsbevoegdheid een uitvloeisel van het afzonderlijke recht is, zodat problemen met de beschikkingsbevoegdheid bij het ene recht de beschikking over het andere recht niet treffen. Uit het feit dat bij vestiging van een Gesamthypothek met betrekking tot elke onroerende zaak (Grundstück) aan alle vereisten van vestiging moet worden voldaan, kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat er ook meerdere hypotheekrechten ontstaan. Bovendien voldoen beide theorieën aan het beginsel van uniciteit bij beschikkingen, aangezien in de veelheidstheorie telkens over de afzonderlijke hypotheekrechten wordt beschikt en bij de eenheidstheorie over de gehele Gesamthypothek als object. Het uniciteitsbeginsel ‘één zaak, één goederenrechtelijk recht’ en het beginsel van uniciteit bij beschikkingen moeten dus van elkaar onderscheiden worden. Het eerste beginsel ziet op het waarborgen van de afzonderlijke juridische behandeling van objecten, het tweede op individuele behandeling van het goederenrechtelijke recht.19
Voor zover Spezialitätsgrundsatz wordt gezien als het principe dat goederenrechtelijke rechten alleen op afzonderlijke zaken kunnen bestaan, alleen afzonderlijke zaken object van goederenrechtelijke rechten kunnen zijn, moeten volgens Wolf twee aspecten worden onderscheiden. Ten eerste worden de mogelijke objecten begrensd doordat algemeenheden van zaken geen object kunnen zijn. Dit zegt echter enkel iets over het soort toegestane objecten, maar niets over de structurele opbouw van het goederenrechtelijke recht zelf. Ten tweede kan het beginsel ook zó begrepen worden dat elk object overeen moet stemmen met een goederenrechtelijk recht. In die zin zegt het wél iets over de structurele opbouw van goederenrechtelijke rechten, namelijk dat zij slechts één object kunnen hebben. Deze laatste opvatting is enkel in overeenstemming met de veelheidstheorie. Onderzoek van de regeling van de Gesamthypothek moet uitwijzen of dit beginsel geldt of niet.20
Wolf komt, op grond van onderzoek naar de bevoegdheden die zijn verbonden aan de Gesamthypothek en de daarin vervatte Zweighypotheken, tot de conclusie dat het bij de Gesamthypothek gaat om niet één hypotheekrecht, maar om een bundel van meerdere hypotheekrechten. De veelheidstheorie geldt in dit geval. Aan de veelheidstheorie ligt volgens Wolf ten grondslag dat door de toekenning van afzonderlijke rechten aan de gerechtigde een afgesloten sfeer van vrije uitoefening van die rechten wordt verzekerd. In later werk stelt Wolf dat de Spezialitätsgrundsatz het belang van de mogelijkheid van vrije beschikking dient.21 Weliswaar kunnen de in de Gesamthypothek besloten liggende Zweighypotheken niet zelfstandig worden overgedragen, maar dat acht Wolf onvoldoende grond voor het aannemen van het bestaan van slechts één recht dat meerdere percelen omvat.22
Wolf onderzoekt vervolgens andere (mogelijke) Gesamtrechte en komt tot de conclusie dat zij alle aansluiten bij de veelheidstheorie. Het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz) wordt daarmee bevestigd. Het uniciteitsbeginsel is echter geen rechtslogische consequentie, die af te leiden zou zijn uit de structuur van het goederenrechtelijke recht, zo meent hij. Er zijn namelijk enkele gevallen waarin de wet goederenrechtelijke bevoegdheden toekent die meerdere objecten omvatten, zoals de objecten waarop de Haftung (verhaalsaansprakelijkheid) van de hypotheek ziet (§1120 BGB) en het feit dat sommige goederenrechtelijke rechten zich mede uitstrekken over het toebehoren (Zubehör, zie paragraaf 7.3.3).
26. Grädler heeft in het kader van zijn onderzoek naar de onderneming (das Unternehmen) als rechtsobject ook aandacht besteed aan het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsprinzip). Hij concludeert dat ondanks dat het Duitse recht uitzonderingen toelaat op het uniciteitsbeginsel en het beginsel ertoe leidt dat rechtsverhoudingen soms op gekunstelde wijze als afzonderlijke rechten in plaats van als geheel gezien moeten worden, toch aan het uniciteitsbeginsel vastgehouden dient te worden. De meerwaarde ervan is volgens hem gelegen in de duidelijkheid en consequentheid van het daaruit volgende systeem: zou men namelijk zowel over afzonderlijke goederen als over een algemeenheid van goederen kunnen beschikken, dan zou dit met elkaar botsende rechten op kunnen leveren. Het uniciteitsbeginsel zorgt naar zijn mening daarom voor duidelijkheid over het object waarover wordt beschikt en daarmee voor rechtszekerheid.23