Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/2.6
2.6 Het stemrechtloze aandeel op hoofdlijnen
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS391263:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Daarmee wordt bedoeld een aandeel met stemrecht in de algemene vergadering. Iedere vennootschap heeft een algemene vergadering nodig waarin besluiten genomen kunnen en moeten worden. Er moet dus altijd een aandeel met stemrecht in de algemene vergadering zijn, zo leert Kamerstukken I 2011/12, 31 058 en 32 426, nr. C, p. 8 (MvA I). ‘Bij gelegenheid’ zal de wettekst worden aangepast en na de woorden “één aandeel met stemrecht” zal worden toegevoegd “in de algemene vergadering”, zie Kamerstukken I 2011/12, 31 058, nr. E, p. 24 (Nadere MvA I).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 12 (MvT).
Faasen 1989, p. 501 en Schwarz 1990, p. 13-14.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 12 (MvT).
Zie Van den Nieuwenhuijzen 2008, p. 19; Van Duuren 2007, p. 245, met betrekking tot joint ventures; Advies van de Commissie vennootschapsrecht over het wetsvoorstel inzake de vereenvoudiging en flexibilisering van het b.v.-recht d.d. 23 november 2006, p. 12, te vinden op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/flexibele-BV en het advies d.d. 20 september 2007 van de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, par. 2.3, p. 2.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 86 (MvT).
Zie paragraaf 6.2.3.5.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 12 (MvT).
Art. 2:8 lid 1 sub b BW.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 6, p. 16 (NV II).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 86-87 (MvT).
Zie ook art. 2:232 BW met betrekking tot statutenwijziging en rechten van derden, anders dan aandeelhouders, bijvoorbeeld houders van winstrechten.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 84 (MvT).
Dit overzicht is deels ontleend aan Ten Berg 2007, p. 341-345 en Portier 2008, p. 225. Zij hebben geen rekening kunnen houden met wijziging in het wetsontwerp na hun publicaties. Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 84 (MvT); Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 16 (NV II); Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 7, p. 11 (Nota van wijziging).
Ook zijn stemrechtloze aandelen met een beperkt recht op winst en/of reserves mogelijk. Zie paragraaf 4.2.5.
Kamerstukken I 2011/12, 31 058 en 32 426, nr. C, p. 7 (MvA I): “Het is mogelijk een aandeel uit te geven dat niet deelt in de winst, maar wel in het overschot na vereffening.”
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 18-19 (NV II) en Kamerstukken II 2010/11, 32 426, nr. 7, p. 7 (NV II). In de literatuur wordt ook het gebruik van stemrechtloze aandelen bij drinkwaterbedrijven genoemd: J.D.M. Schoonbrood & T.J.C. Klein Bronsvoort, ‘Lekken in het verzwakte structuurregime bij drinkwaterbedrijven en vennootschappen met een one tier board?’, Ondernemingsrecht 2011-16, p. 565-570.
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 19 (NV II).
Ook Portier 2008, p. 232. Portier ziet een rol voor het stemrechtloze aandeel weggelegd in het kader van bedrijfsopvolging. Hij noemt als voorbeeld een vader die de zeggenschap over zijn onderneming wil overdragen aan de kinderen. Vader wil echter wel financieel betrokken blijven. In dat geval kan vader de stemrechtloze aandelen in de vennootschap houden en de kinderen ‘gewone’ aandelen. Daarnaast kunnen stemrechtloze aandelen een oplossing bieden indien het ene deel van de familie wel en het andere deel niet (nader) wenst te investeren. Door het uitgeven van stemrechtloze aandelen aan het investerende familiedeel wordt bereikt dat zij aanvullende financiële rechten krijgt, terwijl de zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap niet wijzigen.
Ook Portier 2008, p. 232.
Portier 2008, p. 231, noemt bijvoorbeeld private equity transacties, waarbij de financiering door investeringsmaatschappijen door middel van een combinatie van eigen en vreemd vermogen geschiedt. Portier ziet het als geen bezwaar dat investeringsmaatschappijen - als houders van stemrechtloze aandelen - vergaderrecht hebben, omdat daarvan ook reeds sprake was onder het oude recht.
Portier 2008, p. 225 en Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 12 (MvT).
De kritiek op het ontbreken van het stemrechtloze aandeel in het ambtelijk voorontwerp heeft uiteindelijk tot introductie van het stemrechtloze aandeel geleid. In de vorige paragraaf beschreef ik die ontwikkeling en besprak ik de argumenten om uiteindelijk toch voor het stemrechtloze aandeel te kiezen. In deze paragraaf bespreek ik het stemrechtloze aandeel op hoofdlijnen.
Art. 2:228 BW, meer in het bijzonder lid 5, introduceert het stemrechtloze aandeel. De statuten kunnen bepalen dat, in afwijking van de hoofdregels van art. 2:228 lid 1 tot en met 4 BW, aan aandelen geen stemrecht in de algemene vergadering is verbonden. Een dergelijke regeling kan slechts worden getroffen ten aanzien van alle aandelen van een bepaalde soort of aanduiding waarvan alle aandeelhouders instemmen of waarvan voor de uitgifte in de statuten is bepaald dat daaraan geen stemrecht in de algemene vergadering is verbonden. De aandelen worden in de statuten als stemrechtloos aangeduid. Ten aanzien van stemrechtloze aandelen kan niet op grond van art. 2:216 lid 7 BW worden bepaald dat zij geen recht geven tot deling in de winst of de reserves van de vennootschap.
Met de introductie van het stemrechtloze aandeel in de flex-BV is ook de definitie van de BV, zoals verwoord in art. 2:175 lid 1 BW, gewijzigd. Dat artikellid omschrijft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als een rechtspersoon met een in een of meer overdraagbare aandelen verdeeld kapitaal. De aandelen zijn op naam gesteld. Een aandeelhouder is niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en is niet gehouden boven het bedrag dat op zijn aandelen behoort te worden gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen, onverminderd het bepaalde in art. 2:192 BW. Ten minste één aandeel met stemrecht1 wordt gehouden door een ander dan en anders dan voor rekening van de vennootschap of een van haar dochtermaatschappijen. Voor invoering van de flex-BV werd de BV in art. 2:175 lid 1 (oud) BWomschreven als een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal. Aandeelbewijzen worden niet uitgegeven; de aandelen zijn niet vrij overdraagbaar. Een aandeelhouder is niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en is niet gehouden boven het bedrag dat op zijn aandelen behoort te worden gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen. Het verbod tot uitgifte van aandeelbewijzen in met inwerkingtreding van de flex-BV komen te vervallen.
De wetgever heeft gekozen voor een eenvoudige regeling van het stemrechtloze aandeel. De wetgever verdedigt die keuze door aansluiting te zoeken bij de regeling voor flexibel stemrecht (art. 2:228 lid 4 BW), waarbij evenmin is gekozen voor een uitgebreide regeling voor aandelen die relatief gezien weinig zeggenschap hebben.2 Uit paragraaf 2.3 bleek reeds dat in de ons omringende landen er ook wel voor gekozen is in bepaalde gevallen het stemrecht van een stemrechtloos aandeel te doen herleven. Ook Faasen en Schwarz hebben dat bepleit.3 Doel van de eenvoudige regeling is tevens de complicaties, zoals door de expertgroep genoemd, te voorkomen.4 Ik verwijs naar paragraaf 2.5.2 over het ambtelijk voorontwerp van het wetsvoorstel.
Nadat sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw al een pleidooi gehouden is voor het stemrechtloze aandeel, welk pleidooi zich in de consultatie van de eerste tranche van het ambtelijk voorontwerp vanuit de praktijk heeft voortgezet, wordt het aandeel dan ook na introductie daarvan positief ontvangen.5 De eerder in het kader van het pleidooi voor het stemrechtloze aandeel naar voren gebrachte argumenten worden daarbij vaak herhaald.
Echter, er is ook een aantal kritiekpunten op het stemrechtloze aandeel, zoals de wetgever dat heeft geïntroduceerd. Ik kom daarop in paragraaf 4.2 en paragraaf 6.2 bij de verdere bespreking van het stemrechtloze aandeel en in hoofdstuk 9, waarin ik onder meer aanbevelingen doe, terug.
Het stemrechtloze aandeel kan blijkens de wettekst statutair worden gecreëerd voor uitgifte of na uitgifte daarvan. Na uitgifte van een aandeel kan het daaraan verbonden stemrecht slechts worden ontnomen indien alle houders van die aandelen daarmee instemmen.6
De stemrechtloze aandeelhouder heeft alle aandeelhoudersrechten, behalve het stemrecht en het voorkeursrecht ex art. 2:206a BW, tenzij – wat het voorkeursrecht betreft – de statuten anders bepalen.7 Zo heeft de stemrechtloze aandeelhouder wel vergaderrecht en winstrecht. Op grond van het bepaalde in art. 2:346 BW kunnen stemrechtloze aandeelhouders onder de in dat artikel geformuleerde voorwaarden een enquêteverzoek indienen. Ook kunnen zij zich tot de rechter wenden met de vordering tot vernietiging van een besluit op grond van art. 2:15 BW.8 Hierbij speelt tevens de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid een rol.9 Op de rechten van de stemrechtloze aandeelhouder ga ik in paragraaf 6.2 nader in.
Uit de definitie van de BV volgt dat er altijd één aandeel met stemrecht moet zijn, zodat in de algemene vergadering altijd tot besluitvorming kan worden overgegaan. Daarvoor is – uiteraard – stemrecht vereist.10
Een aandeel kan niet zowel stemrechtloos als winstrechtloos zijn, zo volgt uit art. 2:190 BW. Rechten die stemrecht noch aanspraak op uitkering van winst of reserves omvatten, worden niet als aandeel aangemerkt. Aan een stemrechtloos aandeel zal daarom altijd enig recht op uitkering van winst of reserves verbonden moeten zijn.11 Daarom bepaalt de laatste volzin van art. 2:228 lid 5 BW dat ten aanzien van stemrechtloze aandelen niet op grond van art. 2:216 lid 7 BW kan worden bepaald dat zij geen recht geven tot deling in de winst of de reserves van de vennootschap. Art. 2:216 lid 7 BW voorziet in de mogelijkheid dat de statuten bepalen aandelen van een bepaalde soort of aanduiding geen of slechts beperkt recht geven tot deling in de winst of reserves van de vennootschap. Daaruit volgt dat wel sprake kan zijn van een stemrechtloos aandeel met beperkt winstrecht of een beperkt recht op de reserves van de vennootschap.
Geheel stemrechtloos is het stemrechtloze aandeel niet. Naast art. 2:216 lid 8 jo. lid 6 volgt dat bijvoorbeeld ook uit art. 2:231 lid 4 BW.12 Ik kom daarop in paragraaf 6.2.3.6 en paragraaf 6.2.3.7 terug.
Het stemrechtloze aandeel moet worden onderscheiden van het aandeel met een variabele verdeling van stemrecht, zoals bedoeld in art. 2:228 lid 4 BW. Het wettelijk uitgangspunt is dat het stemrecht zich evenredig verhoudt tot de nominale waarde van de aandelen (art. 2:228 lid 2 en 3 BW). Daarvan kan echter op grond van art. 2:228 lid 4 BW worden afgeweken. Bij statuten kan daarom worden voorzien in een flexibel stemrecht.13 Op het flexibele stemrecht ga ik in dit onderzoek niet in. Onderwerp van het onderzoek is immers de kapitaalverschaffer zonder stemrecht.
Het stemrechtloze aandeel moet eveneens worden onderscheiden van het aandeel waarop geen stem kan worden uitgebracht, zoals bedoeld in art. 2:228 lid 6 BW. Dat lid bepaalt (onder meer) dat voor een aandeel dat toebehoort aan de vennootschap of aan een dochtermaatschappij daarvan in de algemene vergadering geen stem kan worden uitgebracht; evenmin voor een aandeel waarvan een van deze vennootschappen de certificaten houdt.
In de flex-BV kunnen op hoofdlijnen de volgende soorten aandelen worden onderscheiden:14
soort aandeel
beschrijving
BW Boek 2 art.
aandelen met volledig stemrecht
aandelen met stemrecht ten aanzien van alle voorkomende onderwerpen in de algemene vergadering (ongeacht het aantal stemmen dat op deze aandelen kan worden uitgebracht)
228 lid 1
stemrechtloze aandelen15
aandelen die geen stemrecht hebben in de algemene vergadering (ongeacht of deze aandelen stemrecht toekomt in een vergadering van houders van stemrechtloze aandeelhouders)
228 lid 5
beperkt stemgerechtigde aandelen
aandelen met beperkt stemrecht ten aanzien van alle besluiten in de algemene vergadering
228 lid 2 jo. lid 4
winstrechtloze aandelen
aandelen die geen recht geven op uitkering van winst en/of reserves
228 lid 2 jo. lid 4
beperkt winstgerechtigde aandelen
aandelen die beperkt recht geven op uitkering van winst en/of reserves16
216 lid 7
aandelen met gedifferentieerd stemrecht
aandelen waarop meer dan één stem kan worden uitgebracht ten aanzien van alle besluiten in de algemene vergadering
228 lid 3 jo. lid 4
De wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel nog eens de voor- en nadelen van het stemrechtloze aandeel geschetst:17
Voordelen
Nadelen18
Stemrechtloze aandelen vereenvoudigen de mogelijkheid om aandelen toe te kennen in situaties waarin het vooral gaat om het bieden van financiële deelname in de vennootschap, zonder de stemverhoudingen aan te tasten. Dat is zichtbaar in situaties waarin men wel financieel voordeel maar geen zeggenschap (meer) wil toekennen aan investeerders, zoals bij (erf-)opvolging in familievennootschappen,19 bij werknemersparticipaties20 en bij banken en financieringsmaatschappijen.
Aan aandeelhouders wordt een belangrijk element van het aandeelhouderschap ontnomen. Daarom is in het wetsvoorstel ter bescherming van de minderheidsaandeelhouder geregeld dat het winstrecht of stemrecht niet zonder de instemming van de aandeelhouder kan worden ontnomen en is bepaald dat rechten die stemrecht noch aanspraak op uitkering van winst of reserves omvatten niet als aandeel worden aangemerkt.
Stemrechtloze aandelen zijn behulpzaam in situaties waarin men wil voorkomen dat de aanvankelijk overeengekomen stemverhoudingen in een vennootschap zouden wijzigen bij toekomstige kapitaalinjecties.21
Als gevolg van eigen keuzes binnen één vennootschap kan er een grote diversiteit van aandelen bestaan. Hierdoor kan de complexiteit van statutaire regelingen toenemen.
Ten opzichte van certificering van aandelen heeft de uitgifte van stemrechtloze aandelen als voordeel dat de invoeringskosten lager zijn, omdat geen (stichting) administratiekantoor behoeft te worden opgericht.
Stemrechtloze aandelen zijn in internationaal verband een gebruikelijke figuur en kunnen daarom van nut zijn voor internationale (houdster-)structuren en voor de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland.
De fiscale kwalificatie van stemrechtloze aandelen is door de buitenlandse fiscus eenvoudiger. Bovendien blijkt in het buitenland certificering moeilijk uit te leggen.
Anders dan bij certificaten, waar het stemrecht toekomt aan een (stichting) administratiekantoor, kan men bereiken dat er helemaal geen stemrecht bestaat.
Ten opzichte van participatiebewijzen, zijnde winstrechten die statutair worden vormgeven als een aandeel zonder stemrecht, is het voordeel van stemrechtloze aandelen dat naar huidig recht de status van participatiebewijzen onzeker is.
Dit onderzoek ziet op het stemrechtloze aandeel als bedoeld in art. 2:228 lid 5 BW. De door Portier gegeven definitie (‘stemrechtloze aandelen zijn aandelen die geen stemrecht hebben in de algemene vergadering’) lijkt mij als uitgangspunt juist, te meer omdat de wetgever heeft bedoeld een eenvoudig stemrechtloos aandeel te introduceren.22 In paragraaf 4.2.4 zal ik die definitie verder aanscherpen.
In verband met de invoering van het stemrechtloze aandeel zijn ook art. 2:24d, 2:63a, 2:152, 2:175, 2:190, 2:194, 2:206a, 2:220, 2:224a, 2:242, 2:252, 2:262 en 2:346 BW aangepast. Waar nodig zal ik in dit onderzoek op deze artikelen nader ingaan.