Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.5.2.3.2
II.5.2.3.2 Intrekking van een duurbeschikking; voorzienbaarheid
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375265:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Rapport ABAR 1984, p. 217, Scheltema 1975, p. 20.
Scheltema 1975, p. 25. Hij spreekt in dat kader van een duurzaam toezicht of duurzame waakzaamheid. Zie Scheltema 1975, p. 24.
Schlössels en Zijlstra 2010, p. 380.
Dieprink 2003, p. 58 (t.a.v. een vergunning voor een inrichting), Den Ouden 2010, p. 712, Ortlep 2011, p. 313. Zie voorts AGRvS 28 november 1991, AB 1992/531 m.nt. Van Verburg, ABRvS 7 augustus 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6243 en ABRvS 3 januari 2007, AB 2007/70 m.nt. Vermeer. Dit in tegenstelling tot ABRvS 13 augustus 1996, AB 1996/427 m.nt. Stolk, waarin het verzoek om verlenging van een jarenlang verleende invalidenparkeerkaart werd afgewezen. De Afdeling was van mening dat dit in strijd was met het vertrouwensbeginsel, nu niet tijdig was meegedeeld dat geen parkeerkaart meer zou worden verstrekt.
ABRvS 24 augustus 2011, AB 2011/308 m.nt. Ortlep. Zie voorts Vz. ABRvS 2 mei 2007, AB 2007/161 m.nt. Ortlep en ABRvS 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:750.
Artikel 2.30 Wabo.
Zie respectievelijk art. 2.31 lid 1 aanhef en onder b Wabo en art. 2.33 lid 1 aanhef en onder b Wabo. Zie over beide bepalingen nader de paragrafen 10.2.1.2 en 10.2.1.3.
Bij een duurbeschikking wordt een duurzame rechtsverhouding tussen bestuursorgaan en geadresseerde tot stand gebracht.1 Dat betekent dat sprake is van een voortdurende (mogelijkheid tot) overheidsbemoeienis. Scheltema verwoordt dit als volgt:
‘Wanneer het inderdaad gaat om beschikkingen waarbij de gedachte is dat de overheid ook in de toekomst een zekere belangenafweging verricht waarbij het voortgaan op de ingeslagen weg tegen de daaruit voortvloeiende nadelen wordt gesteld, dan behoort ook de bevoegdheid te bestaan om tot opzegging over te gaan. Wijzigingen in inzichten en omstandigheden moeten dan verdisconteerd kunnen worden.’2
Duurbeschikkingen hebben immers geen eeuwigheidswaarde.3 Naarmate een duurbeschikking gedurende een langere periode (ongewijzigd) in stand blijft, is de gedachte dat de geadresseerde er sterker rekening moet houden dat de beschikking op enige wijze wordt aangetast.4 Er moet daarom rekening worden gehouden met dat er zich na verloop van tijd omstandigheden kunnen voordoen welke nopen tot een aantasting. Illustratief is een uitspraak van de Afdeling uit 2011 inzake de intrekking van een parkeervergunning:
‘De rechtbank heeft terecht […] overwogen dat appellante er op basis van de opeenvolgende, stilzwijgende, verlengingen niet op kon vertrouwen ook in de toekomst steeds over de aan haar verleende parkeervergunningen te kunnen blijven beschikken.’5
Voorts valt te wijzen op de zogenaamde actualiseringsplicht6 die geldt ten aanzien van de omgevingsvergunning voor een inrichting. Het bevoegd gezag dient regelmatig te bezien of de voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn nog toereikend zijn. Komt het bestuursorgaan tot het oordeel dat dit niet het geval is, dan bestaat de mogelijkheid tot aantasting van deze vergunning.7 Voorts kan worden gewezen op artikel 4:32 Awb. Deze bepaling voorziet ten aanzien van periodiek verleende subsidies in een mogelijkheid om na afloop van het tijdvak te beoordelen of subsidieverlening nog steeds verplicht dan wel gewenst en noodzakelijk is.