Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.3.9:11.3.9 Conclusie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.3.9
11.3.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS599669:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
508. Onder privékennis versta ik de kennis die een functionaris heeft opgedaan in de privésfeer. Wanneer een functionaris handelt voor een rechtspersoon, kan hij zijn privékennis niet afschudden: hij kan niet handelen zonder die kennis. Zou bij de beoordeling van zijn gedragingen die privékennis buiten beschouwing worden gelaten, dan gaat die beoordeling ten onrechte uit van een schizofreen mensbeeld. In standaardgevallen, waarin de functionaris met de relevante privékennis zelf betrokken is bij de rechtsverhouding tussen de rechtspersoon en de wederpartij waarvoor die kennis relevant is, moet wat mij betreft het uitgangspunt daarom zijn dat de privékennis van de functionaris geldt als kennis van de rechtspersoon.
Niettemin kunnen er goede redenen bestaan om terughoudend te zijn bij het aan de rechtspersoon toerekenen van privékennis van een functionaris. Die redenen vinden deels hun oorsprong in het respect voor de persoonlijke levenssfeer van individuen. Drie belangen die samenhangen het respect voor de persoonlijke levenssfeer, verdienen naar mijn idee bescherming in het kader van de toerekening van kennis aan rechtspersonen:
Het belang van het aangaan en in stand houden van affectieve relaties. Dit brengt mee dat het een functionaris moet worden toegestaan om informatie die hij in de privésfeer in vertrouwen verkrijgt, niet te gebruiken in de zakelijke sfeer. Met andere woorden: het wordt de functionaris toegestaan zijn ‘affectieve geheimhoudingsplicht’ te eerbiedigen.
Het belang van ontspanning buiten werktijd. Dit brengt mee dat een functionaris buiten werktijd minder alert hoeft te zijn op de mogelijke relevantie van op dat moment verkregen informatie voor de activiteiten van de rechtspersoon. Ook wordt slechts bij uitzondering van hem verwacht dat hij naar aanleiding van buiten werktijd verkregen informatie maatregelen neemt ten behoeve van de rechtspersoon.
Het belang van bescherming van de eigen reputatie of (relatieve) anonimiteit. Dit brengt mee dat de functionaris niet alle informatie over zichzelf met collega’s hoeft te delen.
Waar het respect voor de persoonlijke levenssfeer dergelijke ruimte biedt aan de functionaris, vergen de verkeersopvattingen niet dat rechtspersonen organisatorische maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat hun functionarissen hun eigen privésfeer schenden. Met andere woorden: de organisatieplicht brengt niet mee dat rechtspersonen hun functionarissen ertoe moeten brengen om alle voorzienbaar relevante privékennis aan te wenden ten behoeve van de rechtspersoon en diens wederpartijen. Het respect voor de privésfeer van functionarissen kan daarom leiden tot uitzonderingen op de vrijwel automatische kennistoerekening die in de standaardsituatie plaatsvindt.
509. Bij kennisversplintering is het andersom: terughoudendheid bij de toerekening van privékennis is uitgangspunt, maar uitzonderingen zijn mogelijk. Bij kennisversplintering speelt het ‘schizofrenie-argument’ niet of nauwelijks een rol, omdat de wetende functionaris zelf niet handelt voor de rechtspersoon. Uitgangspunt is wat mij betreft dat van de wetende functionaris in beginsel niet mag worden gevergd dat hij zijn privékennis opslaat, doorleidt en deelt met collega’s.
Voor dit uitgangspunt bestaat, naast het respect voor de persoonlijke levenssfeer, nog een tweede reden. Een van de rationes voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen is de beheersbaarheid van het risico op kennisversplintering. Door gebruik te maken van meerdere functionarissen creëert de rechtspersoon het risico dat informatie niet adequaat wordt gedeeld en opgeslagen. Dit risico is het best beheersbaar voor degene die het heeft gecreëerd en moet daarom in beginsel bij de rechtspersoon liggen. De rechtspersoon heeft echter meer controle over de vastlegging en doorgifte van functionele kennis dan van privékennis. Dit behoort te leiden tot meer terughoudendheid bij het toerekenen van de privékennis van de wetende functionaris aan de rechtspersoon.
Niettemin kunnen ook op dit uitgangspunt uitzonderingen noodzakelijk zijn. In deze paragraaf besprak ik vier omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat privékennis toch wordt toegerekend:
De voorzienbare relevantie van de privékennis is dermate hoog, dat de wetende functionaris de belangen van (de wederpartij van) de rechtspersoon zwaarder moeten laten wegen dan zijn eigen belang bij de bescherming van een affectieve relatie of zijn eigen reputatie.
De in privé verkregen informatie is niet vertrouwelijk of is verkregen in een context die op het grensvlak ligt tussen werk en privé.
De wetende functionaris bekleedt een positie met veel verantwoordelijkheid.
Het niet-delen van privékennis vindt vooral zijn oorzaak in een schending van de organisatieplicht door de rechtspersoon.