Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/30:30 De juridische positie van de debiteur
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/30
30 De juridische positie van de debiteur
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 30-05-2025
- Datum
30-05-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13608:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tegen overdracht en verpanding van vorderingen aangevoerde bezwaar dat een schuldenaar zonder dat gewild te hebben met een andere schuldeiser wordt geconfronteerd, dient tegen dit economische belang te worden afgewogen. Het bezwaar dat de schuldenaar mogelijk heeft tegen inning van de vordering op hem door een derde weegt inmiddels minder zwaar als gevolg van de ruime schaal waarop vorderingen heden ten dage worden overgedragen en verpand: een schuldenaar kan er rekening mee houden dat hij met een andere schuldeiser wordt geconfronteerd.
De schuldenaar van een vordering kan er overigens belang bij hebben dat een vordering op hem door overdracht of verpanding liquide kan worden gemaakt. De debiteur die zijn schuld nog niet hoeft te voldoen geniet immers krediet van zijn schuldeiser, zodat hij er belang bij heeft dat zijn schuldeiser op zijn beurt krediet kan opnemen.1
Uitgangspunt zou daarbij wel moeten zijn dat de debiteur van een vordering door de overdracht of de verpanding ervan of door het inningsbevoegd worden van de pandhouder niet in een slechtere juridische positie geraakt.2 Worden de volgende twee beginselen gehanteerd dan zal de juridische positie van de debiteur door de overdracht of verpanding in het algemeen ook niet verslechteren. Het eerste beginsel is dat het object van de verbintenis tussen de cedent casu quo de pandgever en de debiteur door de cessie of de verpanding ervan geen wijziging ondergaat, zodat de cessionaris casu quo de pandhouder jegens de debiteur geen andere rechten kan laten gelden dan de cedent of de pandgever.3 Het tweede beginsel is dat de cessie of de verpanding geen afbreuk doet aan de rechten die de debiteur jegens zijn schuldeiser of de pandhouder kan laten gelden. Deze beginselen zijn geldend recht. Art. 6:145 BW, dat bepaalt dat de overgang van een vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat, is een uitdrukking van dit beginsel.4
Bij het uitgangspunt dat de juridische positie van de debiteur van een vordering door de overdracht of de verpanding ervan of door het inningsbevoegd worden van de pandhouder niet noemenswaardig mag verslechteren, zij nog opgemerkt dat van de debiteur wel mag worden verwacht dat hij accepteert dat de pandhouder wellicht wat minder ‘debiteurvriendelijk’ is en wat sneller van zijn bevoegdheden gebruik zal maken dan de pandgever. Ten eerste zou een genuanceerder uitgangspunt met betrekking tot de bevoegdheden van de pandhouder het systeem onwerkbaar maken. Ten tweede mag van de debiteur worden verwacht dat hij voor zijn eigen belangen waakt en zijn schuldeiser niet meer bevoegdheden geeft dan hij wenselijk acht. Doordat aan de pandhouder niet meer bevoegdheden toekomen dan aan de schuldeiser, kan de debiteur zijn eigen belangen ook op een adequate manier behartigen.