Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.5.5.3
II.6.5.5.3 Toepassing artikel 29 Wet OB 1968 bij huurkoop en financiële lease
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS494195:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het bepaalde in artikel 29, lid 2, Wet OB 1968, dat afgetrokken voorbelasting in elk geval verschuldigd is als twee jaar zijn verstreken na het opeisbaar worden van de vergoeding, leidt overigens niet tot complicaties. Het referentiepunt voor deze tweejaarstermijn is namelijk het moment van opeisbaar worden van de vergoeding. Bij leasing met een periodieke betalingsverplichting ontstaat de opeisbaarheid van de vergoeding gefaseerd. Zie ook HR 22 mei 1991, BNB 1991/209.
Zie bv. HR 11 juli 2008, BNB 2008/283 (concl. A-G De Wit; m.nt. B.G. van Zadelhoff).
Bij het niet-uitoefenen van de koopoptie, alsook bij een onvoorziene voortijdige beëindiging van een financiële lease, heeft de lessee niet de gehele vergoeding betaald. Volgens de staatssecretaris van Financiën is dan sprake van een vermindering van de vergoeding. Artikel 29, lid 1, Wet OB 1968 geeft de lessor dan een recht op teruggaaf van omzetbelasting die hij eerder heeft voldaan. Aan de andere kant is de lessee het afgetrokken deel van die voorbelasting op grond van artikel 29, lid 2, Wet OB weer verschuldigd.1
Onduidelijk is wat volgens de staatssecretaris de consequenties zouden zijn als de oorspronkelijke lessor de privaatrechtelijke eigendom van het geleasete heeft overgedragen aan een nieuwe lessor. Binnen het systeem van de wet past dat een recht op teruggaaf op grond van artikel 29, lid 1, Wet OB 1968 alleen toekomt aan de ondernemer die de belasting in eerste instantie verschuldigd is geworden. Dat is in het geval van financiële lease de oorspronkelijke lessor. Hierdoor kunnen complexe situaties ontstaan. In de eerste plaats moet de teruggaaf op grond van artikel 29 Wet OB 1968 via de oorspronkelijke lessor worden afgewikkeld. In de tweede plaats verkrijgt de nieuwe lessor de macht om als eigenaar over een goed te beschikken. Die verkrijging, althans de daaraan voorafgaande levering, zou binnen het systeem van de belasting aanleiding moeten geven tot heffing. Hoe die heffing volgens de staatssecretaris haar beslag zou moeten krijgen, blijkt niet uit het beleid.
Een alternatieve oplossing is aannemen dat de leasetermijnen een in een leenschuld omgezette koopschuld zijn. In de zin van artikel 29 Wet OB 1968 is dan betaald, zodat die bepaling buiten beeld verdwijnt. Bij een eventuele beëindiging van de lease, of niet-uitoefening van de koopoptie, kan vervolgens een (terug)levering aan de lessor aangenomen worden tegen een vergoeding die gelijk is aan de niet-voldane leasetermijnen en/of het bedrag van de koopoptie. Voor de verdere afwikkeling maakt het dan verder niet uit dat een nieuwe lessor ten tonele kan zijn verschenen. Deze oplossing staat evenwel op gespannen voet met jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat een omzetting van een koopschuld in een leenschuld de uitdrukkelijke wil van partijen vereist.2