Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.2.2.1
10.2.2.1 Het geclausuleerd open stelsel van verbintenissen
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS374398:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Met instemming van onder meer Asser/Rutten 4-I 1973, p. 55 e.v.; Eggens, ‘De bronnen van verbintenis’, VPO II, p. 236.
HR 31 januari 1919, NJ 1919/161, m.nt. EMM. Zie Van Opstall 1975, a.w., p. 825. Vgl. HR 30 oktober 1925, NJ 1926/157, m.nt. P.S; zie ook HR 8 januari 1926, NJ 1926/203 en HR 2 januari 1931, NJ 1931/274.
Hoge Raad 30 januari 1959, NJ 1959/548.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 39 (TM).
De Toelichting Meijers verwijst hier naar HR 19 december 1946, NJ 1947/139 m.nt. EMM. De zaak draaide om in 1944 uitgevoerde, verboden transacties. Slager Mol leverde zonder bon vlees aan bakker Verbove, die in ruil daarvoor zonder bon gebak leverde en fl. 2500 betaalde. Verbove vordert de fl. 2500 terug op grond van onverschuldigde betaling, aangezien de transacties verboden en dus nietig waren. Mol beroept zich erop dat art. 1389 Oud BW onderscheid maakt tussen verbintenissen uit rechtmatige en verbintenissen uit onrechtmatige daad. Onverschuldigde betaling (art. 1395 Oud BW) is een rechtmatige daad en de actie tot terugvordering uit dien hoofde kan dus niet worden ingesteld als de betaling een onrechtmatige daad was. De Hoge Raad oordeelt dat wat onverschuldigd betaald is, bepaald wordt door de vereisten van art. 1395 Oud BW. De groepering van verbintenissen in art. 1389 Oud BW is slechts van leerstellige aard en brengt daar geen verandering in.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 39 (TM); Smits 2003, p. 23.
Zoals verdedigd is door Schoordijk 1979, p. 17; Eggens, ‘De bronnen van verbintenis’, VPO II, p. 243; Asser/Losecaat Vermeer & Rutten 3-I 1956, p. 54.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 39 (TM), onderschreven op p. 42 (VV II).
Als belangrijkste worden genoemd de verbintenis tot schadevergoeding bij onrechtmatige daad, de verbintenis tot ongedaanmaking van een ongerechtvaardigde verrijking, de aanvullende redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 BW en de verbintenis ex art. 6:2 BW.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 40 (TM).
Smits 1997, p. 220.
Smits 2003, p. 26.
P. Abas, ‘Tien jaren na Quint/Te Poel’, WPNR 1970, p. 559; Smits 1997, p. 213.
403. Het BW kent rechtshandeling en wilsverklaring, J. Unger, dat verbintenissen slechts kunnen ontstaan als dat voortvloeit uit de wet. Art. 1269 van het oude BW schreef een gesloten systeem voor, omdat het bepaalde dat alle verbintenissen ofwel uit overeenkomst ofwel uit de wet ontstonden. Via de rechtspraak werd het systeem echter opgerekt.1 Met het arrest Lindenbaum/Cohen vestigde de Hoge Raad al een open systeem van rechtsplichten, door aan te nemen dat deze kunnen ontstaan op grond van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.2 In het arrest Quint/Te Poel zette de Hoge Raad volgens velen de deur open voor een meer, zij het niet volledig open stelsel van verbintenissen.3 Het begrip ‘wet’ uit art. 1269 BW moet volgens de Hoge Raad ruim worden uitgelegd. Niet alle verbintenissen hoeven rechtstreeks teruggevoerd te kunnen worden op een wetsartikel. Hooguit moet, in gevallen die de wet niet regelt, een oplossing worden gezocht die past in het stelsel van de wet en aansluit op wel in de wet geregelde gevallen. In het huidige art. 6:1 BW is de rechtsregel uit Quint/Te Poel gecodificeerd. De wetgever kiest er voor de bronnen van verbintenissen niet limitatief op te sommen.4 Aan zo’n opsomming zouden ongewenste consequenties kunnen worden verbonden,5 en een dergelijke classificatie kan nooit sluitend zijn.6 De wetgever is anderzijds huiverig voor een volledig open stelsel van verbintenissen, en gaat dus niet mee in de visie dat buiten de wet om ook verbintenissen kunnen ontstaan, op grond van het ongeschreven recht.7 Ter bescherming van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid8 wordt vastgehouden aan de eis dat verbintenissen hun grondslag in de wet moeten hebben om afdwingbaar te kunnen zijn. Het wetboek dient wel aan te geven in welke rubrieken van gevallen het ongeschreven recht invloed heeft op het ontstaan en de omvang van verbintenissen.9 Benadrukt wordt dat niet alleen een verbintenis kan worden aangenomen als de wet daar met zoveel woorden van spreekt. Een rechtens afdwingbare verbintenis bestaat steeds wanneer uit één of meer direct of analoog toepasselijke wetsbepalingen voortvloeit dat voor de één jegens de ander een verplichting bestaat, waarmee voor die ander een recht correspondeert dat deel uitmaakt van zijn vermogen.10 Door de principiële openheid van het systeem kunnen dus nieuwe bronnen van verbintenissen worden aangenomen, mits deze passen in het stelsel van de wet.11
404. In abstracto is moeilijk te zeggen wanneer het ontstaan van een verbintenis voortvloeit uit de wet. Volgens Smits is sprake van een verbintenis die past in het stelsel van de wet, als dit in overeenstemming is met de maatschappelijke overtuiging en de doelen die met het vermogensrecht worden nagestreefd.12 Omdat de verbintenis moet aansluiten bij in de wet geregelde gevallen, moet hiermee zoveel mogelijk worden vergeleken, maar men mag ook aansluiting zoeken bij door de Hoge Raad ontwikkelde rechtsfiguren. Mijns inziens is het, naast de terecht door Smits voorgestelde criteria, van belang te kijken naar de reden waarom de wetgever de voorliggende figuur niet als bron van verbintenissen heeft erkend. Als de betreffende figuur destijds nog niet of nauwelijks was ontwikkeld, hoeft zwijgen van de wetgever geen bezwaar te zijn om de figuur nu aan te merken als bron van verbintenissen. Heeft de wetgever expliciet overwogen dat een bepaalde figuur geen verbintenissen kan scheppen, dan moet een rechtvaardiging worden gevonden waarom de verbintenissen die hieruit ontstaan (inmiddels) toch passen in het stelsel van de wet. Een rechtvaardiging kan bijvoorbeeld zijn, dat de rechtsfiguur op een andere wijze wordt gehanteerd of uitgelegd dan de wetgever heeft voorzien. Ook is denkbaar dat de dogma’s waar de wetgever zich op baseerde inmiddels zijn achterhaald, of in het concrete geval niet gelden. Deze toetsstenen bieden wellicht iets meer houvast dan de formulering van de Hoge Raad, maar men zal ook met deze uitgangspunten niet ontkomen aan een afweging van de omstandigheden van het concrete geval.
405. Het BW onderscheidt als bronnen van verbintenissen de overeenkomst, de onrechtmatige daad en verbintenissen uit andere bron dan overeenkomst of onrechtmatige daad, waaraan titel 6.4 gewijd is. Onder deze laatste categorie zou de eenzijdige rechtshandeling kunnen worden begrepen. In titel 4 worden slechts de zaakwaarneming, de onverschuldigde betaling en de ongerechtvaardigde verrijking geregeld, maar dit betekent niet dat daarnaast geen andere bronnen bestaan.13 Een rechtsfeit kan elders in de wet als bron van verbintenissen worden aangewezen. Dat is voor “de eenzijdige rechtshandeling” als categorie echter niet het geval.