Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.4.6.4.1
II.4.6.4.1 Uitgangspunten
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501500:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 6 april 1995, zaak C-4/94, FED 1995/495 (BLP; m.aant. W.A.P. Nieuwenhuizen).
HvJ 6 april 1995, zaak C-4/94, FED 1995/495 (BLP; m.aant. W.A.P. Nieuwenhuizen). Het chainbreaking effect verwijst naar het niet-aftrekbaar zijn van voorbelasting in een productie- en distributieketen. Zie daarover A-G Jacobs in zijn conclusie in de zaak Abbey National I: ‘35. (…) Nevertheless, it remains clear from BLP that the ‘chain-breaking’ effect which is an inherent feature of an exempt transaction will always prevent VAT incurred on supplies used for such a transaction from being deductible from VAT to be paid on a subsequent output supply of which the exempt transaction forms a cost component. (…)’. Zie ook: G. Hutchings, De financiële en bankverrichtingen en de belasting over de toegevoegde waarde (Verzameling studies, Serie Concurrentie - Harmonisatie van wetgeving nr. 22), Brussel 1973, p. 14; C. Bates & J. Lloyd, ‘Skatteverket v AB SKF: a new approach to VAT recovery on a share sale?’, BritishTax Review 2010, p. 31-38, p. 34; J. Englisch & H. Friedrich-Vache, Umsatzsteuerliche Aspekteder Anteilsveräußerung, Berlijn (D): Institut Finanzen und Steuern e.V., p. 46-47.
In artikel 15, lid 2, onderdeel c, Wet OB 1968 wordt nog gesproken van ‘Gemeenschap’. Bedoeld zal zijn ‘Unie’, zoals in artikel 2a, lid 1, onderdeel a, Wet OB 1968 gedefinieerd. Zie nader over het toepassingsbereik van deze bepaling par. 6.5.4.
HvJ 29 oktober 2009, zaak C-29/08, BNB 2010/251 (concl. A-G Mengozzi; AB SKF; m.nt. J.J.P. Swinkels).
Als een overdracht van aandelen geen economisch karakter heeft of een vrijgestelde dienst is, is de voorbelasting op daarmee samenhangende kosten in beginsel niet aftrekbaar. Dat is de resultante van de in paragraaf 3.3 uiteengezette principes betreffende het aftrekrecht. Bij aanwending van ingekochte prestaties buiten het kader van de economische activiteit of voor vrijgestelde prestaties is immers niet voldaan aan het vereiste van gebruik voor belaste handelingen. In relatie tot een vrijgestelde aandelenoverdracht die economisch van karakter is, komt dit ook duidelijk terug in het dictum van het arrest in de zaak BLP (cursivering WJB):1
‘Artikel 2 van de Eerste richtlijn (67/227/EEG) (…) en art. 17, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) (…) moeten aldus worden uitgelegd, dat wanneer een belastingplichtige diensten verricht voor een andere belastingplichtige, die deze diensten voor een vrijgestelde handeling gebruikt, deze laatste – behalve in de door die richtlijnen uitdrukkelijk bepaalde gevallen – geen recht heeft op aftrek van voorbelasting, ookniet wanneer het doel van de vrijgestelde handeling uiteindelijk is gelegen in het verrichtenvan een belaste handeling.’
Het Hof van Justitie overweegt hier verder dat het doel van de vrijgestelde aandelenoverdracht irrelevant is. Ook als met de vrijgestelde aandelenoverdracht middelen vrijkomen voor andere, belaste prestaties, bestaat in beginsel geen recht op aftrek van voorbelasting. De vrijgestelde aandelenoverdracht zorgt daarom voor een ‘chain-breaking effect’, een inbreuk op het uitgangspunt dat voorbelasting in de productie- en distributieketen aftrekbaar is.2 Dit is slechts anders als artikel 15, lid 2, onderdeel c, Wet OB 1968 of artikel 37d Wet OB 1968 van toepassing is. Uit artikel 15, lid 2, onderdeel c, Wet OB 1968 volgt namelijk dat toch recht op aftrek van voorbelasting bestaat als de afnemer van een vrijgestelde aandelenoverdrachtsdienst buiten de Unie is gevestigd.3 Artikel 37d Wet OB 1968 regelt daarnaast dat bij de overdracht van een algemeenheid van goederen geen prestaties onder bezwarende titel worden geacht aanwezig te zijn. De toepassing van artikel 37d Wet OB 1968 op aandelentransacties komt als bijzondere situatie aan bod in paragraaf 4.6.5.
In het arrest in de zaak AB SKF lijkt het Hof van Justitie de strikte lijn uit het arrest in de zaak BLP te nuanceren.4 Daarin houdt het de mogelijkheid open dat ogenschijnlijk voor een aandelenoverdracht gemaakte kosten behoren tot de algemene kosten van een ondernemer (cursiveringen WJB):
‘61. In casu hebben de uitgaven voor de door SKF betrokken diensten volgens de beschrijving van de verwijzende rechter ‘rechtstreeks betrekking’ op de aandelenverkoop en maken zij deel uit van de algemene kosten van de economische activiteit van SKF in haar geheel.
62. Dienaangaande kan uit het bij het Hof ingediende dossier niet worden opgemaakt ofdeze uitgaven rechtstreeks en onmiddellijk verband houden (…) met de voorgenomenaandelenoverdrachten of met de economische activiteit van SKF in haar geheel, daar deze handelingen volgens de verwijzende rechter tot doel hadden andere activiteiten van de groep te financieren. Om een dergelijk rechtstreeks en onmiddellijk verband vast te stellen, is het namelijk van belang te weten of de gedane uitgaven kunnen worden opgenomen in de prijs van de aandelen die SKF wil overdragen, dan wel of zij uitsluitend deel uitmaken van de bestanddelen van de prijs van de producten van SKF.’
Of rechtstreeks op een aandelenoverdracht betrekking hebbende kosten directe kosten voor de aandelenoverdracht zijn of algemene kosten van de economische activiteit als geheel, moet schijnbaar afhangen van hoe de kosten worden goedgemaakt: in de prijs van de aandelen of in de prijs van andere prestaties van de ondernemer. Omdat dit oordeel uit het arrest in de zaak ABSKF niet zonder meer verenigbaar is met het arrest in de zaak BLP, is het de moeite waard beide arresten aan een nadere analyse te onderwerpen. Ook de jurisprudentie van de Hoge Raad en het beleid van de staatssecretaris van Financiën over de aftrek van voorbelasting bij aandelenoverdrachten verdienen bijzondere aandacht, alsmede de invloed van overdrachten van aandelen op het pro rata.