Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.3.6
6.3.6 Nederlandse jurisprudentie
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS414520:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 20 juni 1991, nr. C-60/90 (Polysar), FED 1991/633, HvJ EG 6 februari 1997, nr. C-80/95, BNB 1997/386, FED 2001/179 (Harnas & Helm), HvJ EG 12 juli 2001, nr. C-102/00, BNB 2002/ 182 (Welthgrove) en HvJ EU 30 mei 2013, nr. C-651/11,BNB 2014/113 (X bv) vinden allemaal hun oorsprong in vragen van Nederlandse rechters.
Zie met name HR 14 maart 2003, nr. 38 253, BNB 2003/197 en HR 9 juli 2004, nr. 38 026, BNB 2004/363. De lijn van de Hoge Raad in deze arresten komt er – in het kort – op neer, dat de verkoopopbrengst die wordt verkregen door middel van de verkoop van een deelneming waarin tegen vergoeding wordt gemoeid evenals dividend niet kan worden gezien als een btw-relevante vergoeding voor een prestatie. Als gevolg hiervan wordt geen economische activiteit onderkend. De voorbelasting die drukt op de kosten die in verband met de verkoop worden gemaakt, komt bijgevolg voor (pro rata) aftrek in aanmerking. Zie voor commentaar op deze arresten, onder meer: A. van Dongen, ‘Spiegelbeeld van Cibo. Aftrek van voorbelasting bij verkoop aandelen’, BtwBrief 2003/6,7, H.W.M. van Kesteren, ‘Verkoop van aandelen door moeiende houdster: een prestatie!’, NTFR 2004/1704, G.J. van Norden, Het concern in deBTW, Deventer: Kluwer 2007, blz. 392 e.v.
Zie over deze vragen S.B. Cornielje, ‘De toepassing van art 37d Wet OB bij de verkoop van een (minderheids)deelneming’, WFR 2012/403.
HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-29/08, BNB 2010/251 (AB SKF).
Vgl. onderdeel 6 van D.B. Bijl, noot bij HR 2 december 2011, nr. 42 863, BNB 2012/29.
Nederlandse rechters spelen een belangrijke rol in het vormen van de jurisprudentie van het Hof van Justitie met betrekking tot houdstervennootschappen en handelingen inzake deelnemingen.1 Desondanks (of wellicht: dankzij) is veel gediscussieerd over de vraag of de jurisprudentie van de Hoge Raad wel in overeenstemming was met de jurisprudentie van het Hof van Justitie waar het gaat om de btw-kwalificatie van de verkoop van deelnemingen en het bijbehorende recht op aftrek van voorbelasting.2
Op 2 december 2011 heeft de Hoge Raad echter prejudiciële vragen gesteld in de zaak X bv, met betrekking tot de toepasbaarheid van artikel 5 lid 8 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 19 Btw-richtlijn) op de verkoop van een minderheidsdeelneming.3 In dit arrest heeft de Hoge Raad naar mijn idee aan deze discussie een einde gemaakt door onomwonden vast te stellen dat de verkoop van een deelneming door een houdster die zich mengt in het beheer van die deelneming en deze inmenging gepaard laat gaan met aan de btw onderworpen handelingen moet worden aangemerkt als een economische activiteit die in beginsel is vrijgesteld van btw op voet van artikel 13 B letter d punt 5 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 135 lid 1 onderdeel f Btw-richtlijn).
Met dit oordeel sluit de Hoge Raad aan bij het oordeel van het Hof van Justitie in het arrest AB SKF.4 Hoewel de Hoge Raad geen woorden vuil maakt aan de verhouding van dit oordeel tot zijn veelbesproken arresten uit 2003 en 2004, is er naar mijn idee sprake van een (terechte) koerswijziging van de Hoge Raad.5
6.3.6.1 Nederlands beleid