Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.16.2.2
IV.16.2.2 Verhouding VwVfG tot andere wetgeving
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS376516:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
De zogenaamde öffentlich-rechtliche Verträge in de zin van § 54 e.v. VwVfG.
Zie § 1 lid 1 aanhef en onder nr. 2 VwVfG.
Maurer 2011, p. 113.
Detterbeck 2013, p. 44.
§ 2 VwVfG.
Zie tevens § 1 lid 2 slot VwVfG.
Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VWVfG, Rn. 37. Zie voor een voorbeeld BVerwGE 1 juni 2011, zaaknr. 10 C 10.10, waarin een bijzondere termijn voor intrekking voorgaat op de algemene intrekkingstermijn van § 48 lid 4 VwVfG. Datzelfde was aan de orde in BVerwGE 19 november 2013, zaaknr. 10 C 27.12.
Dat heeft dus tot gevolg dat wanneer een beschikking op grond van § 48 VwVfG wordt ingetrokken, deze intrekking tevens in overeenstemming moet zijn met de bijzondere wet. Dit wordt ook wel aangeduid als de Grundsatz der doppelten Deckung. Vgl. Kopp/ Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 28.
Erichsen/Brügge 1999 (1), p. 156.
Het kan ook zijn dat in een bijzondere wet bepaalde delen van § 48 en 49 VwVfG zijn uitgesloten. Zo bepaalt § 4 lid 5 slot Börsengesetz dat de intrekkingstermijn neergelegd in het VwVfG niet geldt, indien de toestemming op grond van die wet wordt ingetrokken.
Erichsen/Brügge 1999 (1), p. 156, Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG, Rn. 38, Ehlers/ Kallerhoff 2009, p. 823, Ehlers/Schröder 2010 (1), p. 504, Krausnick 2010, p. 595.
BVerwGE 13 december 1988, bandnr. 81, 74.
BVerwGE 16 mei 2007, zaaknr. 6 C 24.06.
Zo heeft het Bundesverwaltungsgericht bepaald dat een tweetal intrekkingsbepalingen van het Asylverfahrensgesetz niet sluitend zijn, en dus ruimte bestaat voor aanvullende toepassing van § 48 en 49 VwVfG. Zie BVerwGE 19 september 2000, bandnr. 112, 80. Toepassing van de jaartermijn van § 48 lid 4 VwVfG is echter uigesloten, vgl. BVerwGE 19 november 2013, zaaknr. 10 C 27.12. Ook in het nationaliteitsrecht is ruimte voor aanvullende werking van de bepalingen van het VwVfG. Zie BVerwGE 3 juni 2003, zaaknr. 1 C 19.02.
Zie voor meer voorbeelden Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48, Rn. 5.
Algemeen
Het toepassingsbereik van het VwVfG is beperkt. Van belang daarbij is in de eerste plaats dat op grond van § 1 van deze wet het VwVfG slechts ziet op publiekrechtelijk overheidshandelen. Daaronder valt ook het sluiten van publiekrechtelijke overeenkomsten.1 Een tweede beperking is dat het VwVfG enkel geldt voor publiekrechtelijk handelen van bestuursorganen op bondsniveau. Hoewel het eerste lid van § 1 VwVfG lijkt te suggereren dat ook het publiekrechtelijk handelen van bestuursorganen op landsniveau door het VwVfG wordt gereguleerd,2 blijkt uit het derde lid van deze bepaling het tegendeel. Het VwVfG geldt namelijk niet, indien ‘[…] die öffentlich-rechtliche Verwaltungstätigkeit der Behörden landesrechtlich durch ein Verwaltungsverfahrensgesetz geregelt ist’. Als dus een Duits land een VwVfG op landsniveau heeft, en dat is bij alle landen het geval,3 dan geldt niet het VwVfG van de Bond, maar het VwVfG van het betreffende land. Niettemin is de feitelijke betekenis van het VwVfG op bondsniveau groot, nu de VwVfG van de landen grotendeels overeenkomen met de bondsvariant.4
Voorts geldt een Bereichsausschlussklausel welke inhoudt dat de bepalingen van het VwVfG niet van toepassing zijn op onder meer kerkelijke en levensbeschouwelijke activiteiten, strafvervolging en procedures op grond van de Abgabenordnung, een regeling vergelijkbaar met de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.5 Een laatste beperking wordt gevormd door wat wordt genoemd de Subsidiaritätsklausel, neergelegd in § 1 lid 1 slot VwVfG.6 Deze bepaling regelt de verhouding tussen het VwVfG en bijzondere wetgeving op bondsniveau. De clausule houdt in dat het VwVfG niet geldt, indien bijzondere wettelijke regelingen op bondsniveau met het VwVfG overeenkomende bepalingen bevat, dan wel in de weg staan aan toepassing van het VwVfG.
Bepalingen inzake intrekking
Wat betreft de verhouding tussen de §§ 48 en 49 VwVfG en bepalingen inzake intrekking in bijzondere wettelijke regelingen geldt het volgende. Wanneer een bijzondere wet een intrekkingsregeling bevat, dan gaat deze vanzelfsprekend voor de regeling van § 48 en 49 VwVfG. Ook in het Duitse recht geldt immers dat een bijzondere wettelijke bepaling gaat voor een algemene bepaling.7, 8 Wel kan het zo zijn dat de regeling in de bijzondere wet ruimte laat voor toepassing van § 48 en 49 VwVfG. Dat is het geval indien deze bijzondere regeling niet limitatief is.9 Een en ander blijkt veelal niet direct uit de regeling zelf.10 Door middel van uitleg van de betreffende regeling zal achterhaald moeten worden of de regeling al dan niet limitatief is.11 Het is uiteindelijk de rechter die oordeelt of een bijzondere intrekkingsregeling al dan niet een limitatieve regeling is. Wat betreft de horecavergunning welke wordt verleend op grond van het Gaststättengesetz (GastG) heeft het Bundesverwaltungsgericht bijvoorbeeld bepaald dat deze enkel kan worden ingetrokken op de gronden genoemd in art. 15 GastG. Een en ander wordt afgeleid uit het feit dat in deze bepaling een uitgebreide catalogus van zowel dwingende als facultatieve intrekkingsgronden is opgenomen. Een intrekking op grond van § 49 lid 2 VwVfG acht het Bundesverwaltungsgericht dan ook niet mogelijk.12 Ook de intrekkingsregeling in het Waffengesetz (WaffG) wordt geacht limitatief te zijn. De gedachte hierachter is dat een wapenvergunning te allen tijde moet kunnen worden ingetrokken wanneer een dergelijke vergunning is verleend aan personen die daarmee niet kunnen worden vertrouwd. Het hanteren van een vervaltermijn past daarbij niet. Om die reden bestaat geen ruimte voor toepassing van § 48 lid 4 VwVfG.13
Is een intrekkingsregeling in een bijzondere regeling niet limitatief bedoeld, dan kunnen de §§ 48 en 49 VwVfG aanvullend worden toegepast. Ook hierbij geldt dat het meestal de rechter is die bepaalt of ruimte is voor een aanvullende toepassing.14 In andere gevallen is een en ander uitdrukkelijk in de bijzondere wet bepaald. Gewezen kan worden op § 34 lid 2 Sprengstoffgesetz (een wet met betrekking tot onder meer de omgang met explosieve stoffen), waarin is bepaald:
‘[…] Die genannten Berechtigungen können, außer nach den Vorschriften der Verwaltungsverfahrensgesetze, widerrufen werden, wenn inhaltliche Beschränkungen nicht beachtet werden. […].’
Deze bepaling maakt duidelijk dat een op grond van deze wet verleende toestemming niet alleen kan worden ingetrokken op de daar genoemde gronden, maar dat tevens de §§ 48 en 49 VwVfG kunnen worden toegepast.15