Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/4.1
4.1 Inleiding
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS456830:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Assink e.a. 2013, p. 51-54; Molenaar 1973, p. 21-22; Van Mourik 1970, p. 9-17; Russel 1918, p. 8; Wessels 1989, p. 7-8.
Dewitte & Sagaert 2012, p. 132; Molenaar 1966, p. 6 e.v.; Molenaar 1973, p. 44-46.
Molenaar 1973, p. 42-44; Wessels 1989.
In Nederlandse literatuur (Gerbrandy 1954, p. 26; Gerbrandy 1966, p. 36, 39; Van Roosmalen 1966, p. 96-97, 105; De Ruiter 1963, p. 137; vgl. ook Van der Grinten 1976, p. 533; Zeijlemaker 1967, p. 26) is wel kritiek geleverd op het Ontwerp-BW omdat daarin de onderneming gezien werd als een algemeenheid van goederen, terwijl volgens bedoelde auteurs de onderneming méér is dan een algemeenheid van goederen. Een onderneming is méér dan een samenraapsel van goederen en schulden; menselijke activiteit en feitelijke omstandigheden spelen ook een grote rol. Ik besef dat terdege, maar gezien het onderwerp van dit proefschrift gaat het mij bij de bespreking van de onderneming slechts om de goederenrechtelijke kant daarvan, “het aan een onderneming dienstbare vermogen” (Van Mourik 1970, p. 45), zo men wil, en beperk ik mij om die reden tot de onderneming als algemeenheid van goederen. Vgl. voor het Duitse recht Nestler 1937, p. 28.
Zie bijvoorbeeld Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 76; Van Mourik 1970, p. 17; HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5068, NJ 2013/256, AA 2012, p. 118-122, met noot Raaijmakers & Bouichi (IJsseloevers Notarissen).
60. In de tijd van de glossatoren waren de nalatenschap en de kudde schoolvoorbeelden van de algemeenheid van goederen. Als hedendaags schoolvoorbeeld kan de onderneming dienen. Door vergelijking van de positie van de onderneming in de drie onderzochte rechtsstelsels worden de mogelijke voor- en nadelen van het al dan niet beschouwen van de onderneming als één rechtsobject goed blootgelegd. Veel van wat ik over de onderneming zal zeggen, gaat ook op voor andere algemeenheden. Eén van die algemeenheden, de assurantieportefeuille, bespreek ik vanwege de aan de onderneming als rechtsobject verwante problematiek ook in dit hoofdstuk, in paragraaf 4.4.3.2.
Het is moeilijk van het begrip onderneming een definitie te geven en het begrip kan op verschillende manieren worden opgevat.1 Voorts kan men zich afvragen wat precies het verschil is tussen een onderneming en een handelszaak (het Franse fonds de commerce)2 of een beroep of bedrijf.3Een heel precieze afbakening van het begrip is voor dit onderzoek ook niet van belang. Het gaat mij uitsluitend om de goederenrechtelijke kant van de onderneming – de onderneming als algemeenheid van goederen4 – en de abstracte vraag of dit als geheel object kan zijn van goederenrechtelijke rechten. Het is daarbij niet van belang of een samenstel van goederen in een concreet geval al dan niet als onderneming (en al dan niet tevens als handelszaak, bedrijf, etc.) gekarakteriseerd kan worden. Op deze kwesties ga ik dan ook niet in.5Dat de onderneming verbintenisrechtelijk als eenheid beschouwd kan worden, staat buiten kijf en ook daarop ga ik niet nader in.6
Zoals ik in paragraaf 1.1 aanhaalde, gaan er in de Nederlandse literatuur bij tijd en wijle stemmen op om de onderneming als object van goederenrechtelijke rechten te erkennen. Laat nu in het Franse recht het fonds de commerce, de handelszaak, rechtsobject zijn. Hierna bespreek ik in paragraaf 4.2 de regeling van het fonds de commerce in het Franse recht. Vervolgens ga ik in paragraaf 4.3 in op de positie van de onderneming in het Nederlandse en Duitse goederenrecht en de suggesties ter verbetering die in de rechtsliteratuur daarop zijn aangedragen. In paragraaf 4.4 bespreek ik of het erkennen van de onderneming als rechtsobject meerwaarde heeft. Daarbij komt tevens de verzekeringsportefeuille aan de orde, waarbij zich een vergelijkbare vraag voordoet.