Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/6.5.3.1
6.5.3.1 Evenredigheidsbeginsel
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS601018:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1993-1994, 23700, nr. 3, p. 141 (toelichting op art. 5:13 Awb). Zie ook Kamerstukken II, 2003-2004, 29708, nr. 3, p. 45-45 (toelichting op art. 1:74 Wft).
Parl. Gesch. Derde tranche Awb, p. 321 en 324.
Hof ’s-Gravenhage 30 december 2004, AB 2006/301, m.nt. Jansen. Vergelijk ook Hof ’s-Gravenhage 23 april 2013, JOR 2013/209, m.nt. Nuyten (Difotrust).
Op grond van het soevereiniteitsbeginsel, zijn de Awb-bevoegdheden niet inzetbaar jegens dienstverleners die in het buitenland zijn gevestigd. Voor die situatie moet de uitbestedende onderneming enkele bedingen ten gunste van haar toezichthouder opnemen in de uitbestedingsovereenkomst. Zie par. 6.6.2.
Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3, p. 128-129.
De Minister is van mening dat de toezichthouder in dat geval rechtstreeks bij de dienstverlener informatie kan vorderen (Stb. 2009, 43, p. 3).
Kamerstukken II, 1993-1994, 23700, nr. 3, p. 141-142.
Een toezichtsmedewerker moet bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen.1 Subsidiariteit houdt in dat de toezichtsmedewerker zijn toezichtsbevoegdheden uitoefent op de wijze die voor de burger het minst belastend is. Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel houdt in dat de uitoefening van een bevoegdheid niet onevenredig belastend mag zijn voor de burger in relatie tot het doel van die bevoegdheidsuitoefening. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit lopen in de praktijk in elkaar over. Kortheidshalve spreekt men meestal over het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel.
De Awb-bevoegdheden kunnen in beginsel jegens eenieder en jegens elk object worden uitgeoefend.2 Uit het proportionaliteitsbeginsel volgt evenwel dat een bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend jegens de personen die betrokken zijn bij de activiteiten waarop wordt toegezien.3 In het geval dat een onder toezicht staande instelling (zoals een pensioenfonds) werkzaamheden uitbesteedt, gaat het daarbij op de eerste plaats om die onder toezicht staande instelling. De uitoefening van toezichtsbevoegdheden kan evenwel ook jegens een derde redelijkerwijs nodig zijn. De wetgever heeft dan ook bedoeld een “derdenwerking” aan het toezicht te geven.4 Zo is het proportioneel om van een accountant inzage in een controlerapport te vorderen, omdat dat informatie kan bevatten die voor het toezicht van belang is, maar niet terug is te vinden in de administratie van het onder toezicht staande mediabedrijf.5 Ook jegens een (in Nederland gevestigde)6 dienstverlener in een uitbestedingsrelatie kunnen dus toezichtsbevoegdheden worden uitgeoefend.
Ook bij de totstandkoming van de Pensioenwet heeft de wetgever aangegeven dat de toezichthouder zich moet wenden tot “de meest geëigende partij”. De toezichthouder kan niet bij een derde aankloppen als de gewenste informatie net zo makkelijk bij de betrokken onder toezicht staande instelling kan worden opgevraagd.7 Dit impliceert dat de informatie wél bij een derde, zoals een dienstverlener, kan worden opgevraagd als dat praktischer is. Dat is al gauw het geval wanneer een dienstverlener voor een groot aantal gereguleerde ondernemingen werkzaam is.8
Het proportionaliteitsbeginsel beperkt ook het bereik aan objecten waarop toezichtshandelingen mogen worden uitgeoefend. Er kan bijvoorbeeld geen inzage worden gevorderd van andere bescheiden of zaken dan die welke verband houden met de wettelijke voorschriften waarop het toezicht in het concrete geval betrekking heeft.9 Als bijvoorbeeld een toezichthouder transacties van een bepaald pensioenfonds wenst te onderzoeken, dan kan het geen inzage vorderen in de volledige administratie van de vermogensbeheerder.